Rookruimten in horeca toegestaan

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Den Haag > Nieuws > Rookruimten in horeca toegestaan
Den Haag, 14 september 2016

De overheid mag voor roken in rookruimten een uitzondering maken op het rookverbod dat geldt in de horeca. Dat blijkt uit het oordeel van de rechtbank Den Haag in een zaak van de Nederlandse Nietrokersvereniging CAN (Club Actieve Nietrokers) tegen de Staat. CAN is de zaak begonnen omdat volgens haar de overheid moet voorzien in een volledig rookverbod in voor het publiek toegankelijke ruimten, zoals café’s en restaurants. 

Welke vraag moest de rechtbank beoordelen?

De rechtbank moest beoordelen of het toestaan van roken in rookruimten in voor het publiek toegankelijke ruimten in strijd is met artikel 8 lid 2 van het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (het WHO-Kaderverdrag). Nederland is partij bij het WHO-Kaderverdrag en daarom verplicht “effectieve maatregelen” te treffen die voorzien in de bescherming van eenieder tegen blootstelling aan tabaksrook.

Een voorvraag die de rechtbank moest beantwoorden, was of CAN een beroep op artikel 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag toekomt. Juridisch gezegd, gaat het er dan om of aan die bepaling “rechtstreekse werking” toekomt. Daarvoor moet de bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om zonder meer als objectief recht te worden toegepast. De context waarin de bepaling wordt ingeroepen is in dit verband van belang.

Conclusie van de rechtbank

De conclusie van de rechtbank is dat CAN zich in deze zaak niet op de bepaling kan beroepen. CAN heeft bepleit dat in artikel 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag de norm ten grondslag ligt dat verdragsstaten moeten voorzien in een 100% rookverbod (‘total smoking ban’). Uit de tekst blijkt niet dat die norm in de bepaling besloten ligt. Evenmin kan worden gezegd dat ten tijde van de totstandkoming van het verdrag onder de verdragsstaten overeenstemming bestond over de verplichte invoering van een algeheel rookverbod in voor het publiek toegankelijke ruimten en/of dat de in deze bepaling genoemde “effectieve maatregelen” uitsluitend op één manier kunnen worden getroffen, te weten via de (op een concreet moment bepaalde) invoering van een algeheel rookverbod. Ook kan aan de bepaling, die niets zegt over de precieze aard en omvang van de beschermingsplicht van de Staat, niet in elk geval de conclusie worden verbonden dat een uitzondering op het rookverbod voor rookruimten in voor het publiek toegankelijke ruimten onverenigbaar is met de verplichting van lidstaten om te voorzien in de bescherming van eenieder tegen blootstelling aan tabaksrook.

Verschil met eerdere zaak bij Hoge Raad

Deze zaak verschilt van een eerdere zaak die CAN had aangespannen tegen de Staat en waarin de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan op 14 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2928). In die eerdere zaak kon CAN zich volgens de Hoge Raad wel beroepen op artikel 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag. Toen was sprake van een beroep op de bepaling in een situatie waarin de Staat wetgeving had uitgevaardigd op grond waarvan het, nadat aanvankelijk een rookverbod in alle horecagelegenheden gold, alsnog werd toegestaan te roken in kleine cafés. Een al bereikt beschermingsniveau tegen blootstelling aan tabaksrook werd aldus teruggedraaid. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Eindoordeel

De rechtbank heeft de vorderingen van CAN afgewezen.

Uitspraken

Meest gelezen berichten