TBS met voorwaarden voor doden medepatiënt GGZ Delfland

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Den Haag > Nieuws > TBS met voorwaarden voor doden medepatiënt GGZ Delfland
Den Haag, 03 juni 2015

De rechtbank Den Haag veroordeelt een 25-jarige man voor het doden van een medepatiënt in een locatie van GGZ Delfland in de nacht van 30 op 31 juli 2014. Diezelfde nacht heeft hij heeft twee pogingen gedaan om ook een andere medepatiënt van het leven te beroven. Op basis van diverse gedragskundige rapporten komt de rechtbank tot de conclusie dat de dader voor zowel de doodslag als de pogingen tot doodslag ontoerekeningsvatbaar is vanwege een psychotische stoornis. Het opleggen van een gevangenisstraf is daarom niet mogelijk. De rechtbank legt wel TBS met voorwaarden op.

TBS met voorwaarden

De rechtbank legt de maatregel van TBS met voorwaarden op vanwege de ernst van zowel de feiten als het ziektebeeld van de dader, onder invloed waarvan hij zijn daden heeft gepleegd. Hij moet worden behandeld in een forensische psychiatrische kliniek, zodat hij zowel gedurende als na zijn behandeling geen gevaar meer oplevert voor de samenleving. Mede gelet op de te verwachten behandelduur en het toereikende hoge beveiligingsniveau in deze kliniek legt de rechtbank geen TBS met dwangverpleging op, zoals door de officier van justitie was gevorderd.

Geen moord, maar doodslag

De 25-jarige man heeft de hals en neus van een medepatiënt zolang dichtgeknepen, dat hij is overleden. Verder heeft hij tweemaal geprobeerd een andere medepatiënt op dezelfde wijze van het leven te beroven. Zij waren met z’n drieën in de woonkamer van de afdeling waar zij waren opgenomen toen het gebeurde. Nadat de medepatiënt was overleden, is de man samen met de andere medepatiënt nog uren in de woonkamer geweest.

Om te bepalen of er sprake was van moord of doodslag, moet de rechtbank in beide gevallen vast kunnen stellen dat de dader ‘met voorbedachte raad’ gehandeld heeft en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Op basis van onder andere verklaringen van de medepatiënt die het overleefde, komt de rechtbank tot het oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de 25-jarige man zich heeft kunnen beraden op wat hij deed. Eerder was er sprake van een plotselinge hevige drift waarbij hij de medepatiënt doodde. Bij de verwurgingshandelingen ten aanzien van de tweede medepatiënt heeft de rechtbank vastgesteld dat de man dit heeft gedaan zeer kort voor de komst van een verpleegkundige op de afdeling. Verder zat er zo weinig tijd tussen beide pogingen dat de conclusie ook hier is dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad.

Uitspraken

Meest gelezen berichten