Uitlevering Sabir K. aan de Verenigde Staten opnieuw verboden

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Den Haag > Nieuws > Uitlevering Sabir K. aan de Verenigde Staten opnieuw verboden
Den Haag, 20 januari 2015

In het kort geding tussen Sabir K. en de Staat over de voorgenomen uitlevering van Sabir K. aan de Verenigde Staten oordeelt de kortgedingrechter dat de uitlevering onrechtmatig is.

 

In 2013 hebben het hof in Den Haag en de Hoge Raad de uitlevering van Sabir K. verboden. De Staat moest navraag doen bij de VS naar de mogelijke betrokkenheid van de VS bij de aanhouding (en daarmee bij de foltering) van Sabir K. in Pakistan in 2010. De Staat heeft toen van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

In oktober 2014 hebben de VS in een brief verklaard dat de bevoegde Amerikaanse autoriteiten niet om de aanhouding van Sabir K. hebben verzocht. Deze brief geeft geen uitsluitsel over de mogelijke rol van de CIA. De Staat heeft dat ook met zoveel woorden tijdens de terechtzitting bevestigd. Omdat niet kan worden uitgesloten dat juist de CIA destijds om de aanhouding heeft verzocht, verbiedt de kortgedingrechter uitlevering van Sabir K. nu opnieuw. De rechter ziet geen aanleiding de Staat in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten, omdat de Staat meent dat een eventuele rol van de CIA niet van belang is en daarom ook geen verder onderzoek heeft aangeboden.

Voorgeschiedenis

Sabir K., een man die zowel de Nederlandse als de Pakistaanse nationaliteit bezit, wordt door de autoriteiten van de VS verdacht van terroristische activiteiten gericht tegen Amerikaanse troepen in Afghanistan. Sabir K. is in 2010 door de Pakistaanse autoriteiten opgepakt en tijdens zijn detentie aldaar door de Pakistaanse geheime dienst ISI gefolterd. Pakistan heeft hem vervolgens op transport naar Nederland gezet. De VS hebben Nederland verzocht om zijn uitlevering en de Minister van Veiligheid en Justitie heeft de uitlevering (voorwaardelijk) toegestaan.

In 2013 heeft Sabir K. tweemaal een kort geding aangespannen tegen de Staat om zijn uitlevering alsnog tegen te houden. Hij heeft daarbij onder meer aangevoerd dat de VS betrokken zijn geweest bij de martelingen die hij van de kant van de Pakistaanse geheime dienst heeft ondergaan.

Nadat de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 26 februari 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2268) het bezwaar van Sabir K. had verworpen, hebben het hof (ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0537 en ECLI:NL:GHDHA:2013:2690) en de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:1680) de uitlevering van Sabir K. verboden, omdat de Staat geen nader onderzoek had ingesteld naar de mogelijke betrokkenheid van de VS bij de aanhouding (en daarmee bij de foltering) van Sabir K. in Pakistan.

Hierbij hebben het hof en de Hoge Raad overwogen en beslist dat op grond van het in internationale verdragen neergelegde folterverbod, dat ertoe strekt foltering in de hele wereld tegen te gaan, een uitlevering moet worden geweigerd indien moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon door of (mede) door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd. Aangezien de Staat niet aan zijn onderzoeksplicht had voldaan, was er volgens het hof en de Hoge Raad onzekerheid blijven bestaan over de mogelijke betrokkenheid van de VS bij de foltering van Sabir K. De Staat daarom zou onrechtmatig handelen door Sabir K. uit te leveren aan de VS.

Uitspraken

Meest gelezen berichten