Gevangenisstraf voor bezit van kinderporno

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Limburg > Nieuws > Gevangenisstraf voor bezit van kinderporno
Maastricht, 08 juli 2014

De rechtbank Limburg heeft vandaag een 50-jarige man uit Weert veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 10 jaar.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan langdurig bezit en verspreiden en aanbieden van een zeer grote hoeveelheid kinderpornografische foto’s en films, waarop verregaande seksuele handelingen bij kinderen te zien zijn. Naar eigen zeggen is hij 16 jaar bezig geweest met het verzamelen van de foto’s en films, waardoor gezegd kan worden dat hij er een gewoonte van heeft gemaakt.
 
Deze zaak is door een tip van het televisieprogramma “Undercover in Nederland” aan het licht gekomen.

Verdachte heeft tevens heimelijk foto’s en films gemaakt van twee vrouwen.
 
In deze zaak stond tevens de wijze van ten laste leggen van het grootschalige bezit van kinderporno centraal.
 
De rechtbank stelt voorop dat aan de term ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Dit brengt mee dat zonder een feitelijke omschrijving van die afbeelding in de tenlastelegging, een dagvaarding niet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eisen van opgave van het feit voldoet. Oftewel, wil de dagvaarding voldoende feitelijk zijn en daarmee voldoen aan de in artikel 261, eerste lid, Sv gestelde eis, dan dient de ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ nader omschreven te zijn.
 
De rechtbank is – in lijn met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in haar arrest van 20 december 2011 (NJ 2012/147 m.nt. Reijntjes, LJN-nummer: BS1739) – van oordeel dat de primaire variant voor zover deze betrekking heeft op de zeven nader omschreven afbeeldingen, voldoende de afzonderlijke strafbare feiten identificeert die de tenlastelegging op het oog heeft en in zoverre dan ook voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv. Dat geldt echter niet voor de overige aantallen foto’s, films en afbeeldingen die in de tenlastelegging niet expliciet zijn benoemd en/of omschreven. Die overige foto’s, films, video’s en afbeeldingen zijn naar het oordeel van de rechtbank in deze tenlastelegging voor wat betreft de feitelijke inhoud onvoldoende precies omschreven. De rechtbank zal dat onderdeel van de tenlastelegging dan ook nietig verklaren.
 
De rechtbank verwijst op deze plaats ook naar het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1497) dat onder andere handelt over de (onnodige) complicaties die kunnen ontstaan indien ervoor wordt gekozen in de tenlastelegging grote hoeveelheden kinderpornografische afbeeldingen op te nemen. Voor de Hoge Raad zijn die complicaties aanleiding om een duidelijke voorkeur uit te spreken voor een tenlastelegging die zich beperkt tot het beschrijven van een gering aantal afbeeldingen zonder in de tenlastelegging zelf enige aanduiding of verwijzing op te nemen naar een wellicht grotere hoeveelheid waarvan die afbeeldingen deel uit maken. Dat voorkomt dat een onnodig uitgebreide en weinig precieze tenlastelegging - zoals de onderhavige - tijdens het onderzoek ter terechtzitting voor onnodige complicaties zorgt met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding en/of de bewezenverklaring. Het grootschalige karakter kan bij de strafoplegging uiteraard wel aan de orde komen.

Uitspraken

Meest gelezen berichten