Rechter verklaart OM niet-ontvankelijk in zaak coffeeshops Maastricht

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Limburg > Nieuws > Rechter verklaart OM niet-ontvankelijk in zaak coffeeshops Maastricht
Maastricht, 04 september 2013

De politierechter van rechtbank Limburg, locatie Maastricht, heeft vandaag het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard bij vervolging van 6 beheerders en 8 personeelsleden van coffeeshops in Maastricht. De 14 personen werden verdacht van de verkoop c.q. de medeplichtigheid aan de verkoop van softdrugs vanuit coffeeshops in Maastricht aan niet-ingezetenen van Nederland. De politierechter is van oordeel dat niet het strafrechtelijk belang wordt gediend bij vervolging van de verdachten, maar het gemeentelijk belang. Dit is niet waarvoor het strafrecht is bedoeld. Om deze reden verklaart de politierechter het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.

Overwegingen politierechter

De politierechter heeft overwogen niet in staat te zijn om het Nederlandse coffeeshopbeleid uit te leggen. Door de Nederlandse overheid wordt geschipperd tussen twee uitersten. Aan de ene kant wordt het verbod tot handel in hennep en hasjiesj in de Opiumwet gehandhaafd, aan de andere kant wordt de niet aflatende vraag naar deze middelen gereguleerd en wordt erop aangestuurd om deze op een zo verantwoord mogelijke wijze aan de man te brengen, waarbij aan de belangen van onder meer de volksgezondheid, beperking overlast en dergelijke zoveel mogelijk tegemoet gekomen wordt. Hierdoor blijft evenwel het probleem aan de achterdeur bestaan, dat van de aanvoer van in hennep en hasjiesj. De thuisteelt van hennep zorgt voor de nodige maatschappelijke problemen en voorts houden zware criminelen zich bezig met de professionele hennepteelt. Maar dat is niet het onderwerp wat in deze procedure aan de orde is.

Aan de verdachten is ten laste gelegd dat zij softdrugs hebben verkocht aan niet-ingezetenen. Zij hebben verklaard dat zij dit inderdaad hebben gedaan. Aan de orde is de vraag of zij dit mogen of niet.

De hoofdregel in de Opiumwet luidt dat aan niemand softdrugs mogen worden verkocht. Er is immers sprake van een wettelijk verbod daartoe. Het college van P-G’s heeft in het kader van de invulling van het opportuniteitsbeginsel een gedoogbeleid ingevuld, hetgeen betekent dat zij voorwaarden formuleren waaronder het OM bereid is om niet tot vervolging terzake over te gaan. Het college van P-G’s heeft het recht om voorwaarden aan dit gedoogbeleid te stellen en om deze voorwaarden aan te passen. Bijkomende voorwaarden mogen evenwel niet in strijd zijn met wettelijke of verdragsrechtelijke regelgeving.

Is het zogenaamde i-criterium in strijd met enige rechtsregel? De geleerden zijn het daar – samengevat – niet over eens. Of dit criterium in strijd is met enige regel is afhankelijk van de feitelijke situatie en de onderliggende motivering voor toepassing van dit criterium. In april 2013 heeft de bestuurskamer van de rechtbank Limburg te Maastricht zich uitgelaten over dit i-criterium. De politierechter begrijpt uit deze uitspraak dat onvoldoende is bekeken of onderzocht of er geen minder vergaande maatregelen bestaan om het overlastprobleem ter zake van de handel in hennep of hasjiesj op te lossen. In ieder geval heeft de gemeente Maastricht de toepassing van het i-criterium in die zaak niet goed gemotiveerd. In onderhavige zaak dienen we nu te toetsen aan een i-criterium waarvan het nog maar de vraag of dit in rechte in stand zal blijven en of dit al dan niet in strijd zal zijn met enige rechtsregel.

De politierechter is niet in de positie om te treden in het gemeentelijk beleid van de gemeente Maastricht. Volgens de gemeente is het i-criterium in het leven geroepen met als doel het bestrijden van overlast. Het is de vraag of dit doel door dit middel wordt behaald. Het staat immers buiten kijf dat het verbieden van de verkoop van softdrugs in coffeeshops leidt tot overlast door drugsrunners en straatdealers. Het is goed mogelijk dat door invoering van het i-criterium het overlastprobleem groter wordt dan voorheen.

Dat de gemeente, het Openbaar Ministerie en de coffeeshops belang hebben bij juridische helderheid is duidelijk, evenals het feit dat er behoefte bestaat aan een proefproces. In dit geval is er sprake van een groep coffeeshophouders die, voor zover ter zitting en uit de media naar voren is gekomen, bereid zijn om in overleg te treden met de gemeente om de verkoop van softdrugs en hun gedoogstatus zo keurig mogelijk te regelen. Dit is tevens in hun eigen belang. Tegen die achtergrond acht de politierechter het onbegrijpelijk dat de gehele goegemeente van coffeeshophouders wordt vervolgd, terwijl het duidelijk is dat zij enkel het i-criterium hebben overtreden. De politierechter is daarom van oordeel dat niet het strafrechtelijk belang wordt gediend bij vervolging van de verdachten, maar het gemeentelijk belang. Dit is niet waarvoor het strafrecht is bedoeld. Om deze reden verklaart de politierechter het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.

Uitspraken

Meest gelezen berichten