Veroordelingen en vrijspraak in zaak coffeeshops Maastricht

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Limburg > Nieuws > Veroordelingen en vrijspraak in zaak coffeeshops Maastricht
Maastricht, 26 juni 2013

Zes verdachten van de verkoop c.q. de medeplichtigheid aan de verkoop van softdrugs vanuit coffeeshops in Maastricht aan niet-ingezetenen van Nederland zijn door rechtbank Limburg, locatie Maastricht, veroordeeld tot voorwaardelijke taakstraffen en geldboetes. Eén verdachte is vrijgesproken van het medeplegen van de verkoop van softdrugs wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank straft in alle gevallen lager dan de officier van justitie had geëist, omdat de meeste verdachten niet eerder met de strafrechter in aanraking zijn geweest en de strafzaak als een proefproces kan worden beschouwd.

Bij de hoogte van de opgelegde straf heeft de rechtbank onderscheid gemaakt tussen de beheerders van de coffeeshops en het personeel van de coffeeshops. De rechtbank neemt het de coffeeshophouders in het bijzonder kwalijk dat zij hun financiële belang hebben laten prevaleren boven de verplichting om zich aan de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet te houden.

De rechtbank heeft het in de Aanwijzing Opiumwet vervatte Ingezetenencriterium getoetst aan de (grond)wet, het (Europese) Unierecht en het EVRM. Weliswaar wordt met het Ingezetenencriterium een indirect onderscheid gemaakt naar nationaliteit, maar dit onderscheid wordt objectief gezien gerechtvaardigd door redelijke en legitieme belangen, te weten het belang van de volksgezondheid (tegengaan vermenging van drugscircuits en regulering van het drugsgebruik) en het belang van handhaving van de openbare orde (terugdringen drugstoerisme en overlast). De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het Ingezetenencriterium niet in strijd is met het recht. De coffeeshopbeheerders en de personeelsleden mochten er derhalve niet op vertrouwen dat zij niet zouden worden vervolgd.

Voorts overweegt de rechtbank dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging niet strijdig is met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Eerst heeft immers bestuursrechtelijke handhaving door de burgemeester van Maastricht plaatsgevonden. Desondanks zijn er op 6, 7 en 8 mei 2013 vanuit de coffeeshops in Maastricht softdrugs verkocht aan niet-ingezetenen van Nederland. Het Openbaar Ministerie mocht, nu de bestuursrechtelijke aanpak niet het gewenste effect sorteerde, dan ook tot vervolging van de coffeeshophouders en hun personeel overgaan.

Voorts kan de vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie ook niet willekeurig worden genoemd, omdat lokale verschillen aanleiding kunnen geven tot een verschillende aanpak.

Uitspraken

Meest gelezen berichten