Vrijspraak en gevangenisstraffen voor brandstichting door leden vrijwillige brandweer Onderbanken

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Limburg > Nieuws > Vrijspraak en gevangenisstraffen voor brandstichting door leden vrijwillige brandweer Onderbanken
Maastricht, 27 september 2017
De rechtbank Limburg heeft vandaag uitspraak gedaan in de zaken tegen 3 leden van de vrijwillige brandweer van de gemeente Onderbanken. Een 24-jarige verdachte is vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. De 2 andere verdachten zijn veroordeeld voor het meerdere malen brand stichten met grote materiële schade tot gevolg. Dit alles gebeurde in juli en augustus 2014.

Straffen

De 29-jarige verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest voor het medeplegen van 3 brandstichtingen. De andere verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest voor het medeplegen van 6 brandstichtingen. 

De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met het feit dat brandstichting behoort tot een van de ernstigste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht. Het is zo ernstig, omdat als gevolg van brandstichting zeer gevaarzettende situaties voor personen of goederen kunnen ontstaan. Deze branden hebben grote angst en onrust in de gemeente Onderbanken veroorzaakt. Dat geldt in het bijzonder voor de slachtoffers.

Voorbeeldfunctie

De rechtbank heeft in het nadeel van de verdachten zwaar laten meewegen dat zij als lid van de vrijwillige brandweer zelf de branden hebben aangestoken en dat ze dit enkel voor de ‘kick van het uitrukken’ hebben gedaan. Brandweerlieden hebben een voorbeeldfunctie en zijn bij uitstek de personen die onder meer bij (uitslaande) branden ervoor zorgen dat, met gevaar voor eigen leven, de veiligheid van personen en goederen wordt beschermd door met de geëigende middelen de branden tegemoet te gaan. De maatschappij moet kunnen vertrouwen op brandweerlieden wanneer hun belangrijke inzet nodig is. Dat vertrouwen is door deze verdachten ernstig aangetast.

Verder hebben verdachten misbruik gemaakt van de publieke middelen die de brandweer ten dienste staan om mensen of goederen te beschermen tegen een brand. Deze middelen hadden immers niet ingezet hoeven te worden als verdachten geen branden hadden gesticht. Bovendien hebben verdachten er niet bij stilgestaan dat ook elders branden hadden kunnen uitbreken, met mogelijk desastreuze gevolgen omdat de middelen daar niet (of niet tijdig) konden worden ingezet.

De rechtbank wil met het oog op het voorkomen van dit soort misdrijven een duidelijk en krachtig signaal afgeven aan de samenleving dat brandstichtingen, zeker door brandweerlieden, niet licht worden opgevat.

First offenders

De rechtbank heeft in het voordeel van de verdachten rekening gehouden met het gegeven dat ze lang op de inhoudelijke afdoening hebben moeten wachten en het feit dat ze beiden ‘first offender’ zijn. Bij 1 van de verdachten heeft zijn open proceshouding in diens voordeel meegewogen.

Uitspraken

Meest gelezen berichten