Beroep huisarts Tuitjenhorn tegen bevel inspecteur volksgezondheid ongegrond

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Noord-Holland > Nieuws > Beroep huisarts Tuitjenhorn tegen bevel inspecteur volksgezondheid ongegrond
Alkmaar, 02 juli 2015

De rechtbank Noord-Holland heeft op 2 juli 2015 het beroep van de huisartsenpraktijk Tuitjenhorn tegen het bevel van de inspecteur voor de volksgezondheid ongegrond verklaard. Het bevel hield in dat de huisarts per 2 oktober 2013 gedurende 7 dagen geen patiëntenzorg mocht verlenen.
 
Het bevel was gegeven op 2 oktober 2013. Op 8 oktober 2013 heeft de huisarts zelfmoord gepleegd en op 26 mei 2014 is dit bevel vanwege het overlijden van de huisarts door de inspecteur herroepen. De rechtbank begrijpt echter dat met deze herroeping, gelet op de uitleg van de inspecteur op de zitting, niet de onjuistheid van het bevel wordt erkend.

Waarover heeft de rechtbank geoordeeld?

De rechtbank heeft eerst beoordeeld of de huisartsenpraktijk na het overlijden van de huisarts nog belang bij deze procedure heeft. Dat vindt de rechtbank het geval. Aannemelijk is dat de praktijk door het bevel in haar goede naam is aangetast. Ook is min of meer aannemelijk dat de praktijk door het bevel en de publiciteit die het heeft gekregen materiële schade heeft geleden. Vervolgens heeft de rechtbank het bevel inhoudelijk onder de loep genomen. Het geven van een bevel is een bevoegdheid van de inspecteur waarbij hij een eigen beoordelings- en beleidsvrijheid heeft. Deze vrijheid dient de rechtbank te respecteren. Concreet betekent dit dat de rechtbank toetst of de inspecteur in redelijkheid het bevel heeft kunnen geven.
 

Handelen van huisarts

Door de inspecteur zijn drie fases onderscheiden: de supervisie op de zorgverlening aan de patiënt voorafgaand aan het overlijden, de overdracht van de patiënt aan de huisartsenpost in het weekend voor het overlijden en het handelen van de huisarts op de dag van het overlijden.
 
In de uitspraak loopt de rechtbank deze drie fases door en komt tot de conclusie dat de inspecteur in redelijkheid heeft kunnen vaststellen dat de huisarts in elke fase in strijd met de vereiste competenties, zoals arts-patiënt communicatie, vakinhoudelijk handelen, professionaliteit heeft gehandeld.

Zo is er voorafgaand aan het overlijden onvoldoende supervisie op de arts in opleiding geweest. Er is voor het laatste weekend niet overgedragen aan de huisartsenpost en onvoldoende geanticipeerd wat er aan zorg voor deze patiënt nodig zou zijn. En op de dag zelf is er meer keren in strijd met de competenties gehandeld. Dat betreft het toedienen van 1000 mg morfine en 350 mg Dormicum waarvoor de huisarts geen adequate verklaring heeft gegeven. Het ging niet om euthanasie, dat wilde de patiënt niet, en deze hoeveelheid paste ook niet in het kader van palliatieve sedatie. De huisarts wilde het lijden verlichten. Door deskundigen is vastgesteld dat deze hoeveelheid gelet op de conditie van de patiënt zeer waarschijnlijk als dodelijk kan worden beschouwd. Overigens heeft de inspecteur bij zijn bevel ook het verdere handelen van de huisarts op die dag betrokken, zoals het toedienen van de medicatie zonder toestemming van de patiënt of zijn echtgenote en zonder voorlichting aan hen te geven over de gevolgen.
 
Aan de hand van al deze aspecten concludeert de rechtbank dat de inspecteur zich op 2 oktober 2013 in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat de zorgverlening en de organisatie daarvan rondom de laatste levensfase van de patiënt niet voldoen aan de normen van verantwoorde zorg. De inspecteur kon op dat moment daarin in redelijkheid een risico voor de patiëntveiligheid zien en een acuut gevaar voor de volksgezondheid. Dat maakt het beroep ongegrond.

Uitspraken

Meest gelezen berichten