Staatssecretaris hoeft kosten gehoorimplantaat niet te vergoeden

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Noord-Holland > Nieuws > Staatssecretaris hoeft kosten gehoorimplantaat niet te vergoeden
Haarlem, 01 februari 2016
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie hoeft de kosten voor het plaatsen van een gehoorimplantaat bij een 4-jarig kind niet te vergoeden. Het kind hoort bij een gezin dat op dit moment niet rechtmatig verblijft in Nederland. 

Hoewel het kind veel baat kan hebben bij het zo spoedig mogelijk plaatsen van een implantaat, blijkt volgens de voorzieningenrechter uit de verklaringen van de behandelaars niet expliciet dat het inbrengen van een implantaat voor het kind, gezien de aard van de prestatie en de verwachte duur van het verblijf, medisch noodzakelijk wordt geacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

Verzoekster is een kind van 4 jaar en is doof. Het gezin is afkomstig uit Afghanistan en is in 2013 naar Nederland gekomen. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) heeft de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Deze afwijzing is in beroep en hoger beroep in stand gebleven. Tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag om een verblijfsvergunning loopt nog een hoger beroepsprocedure. Het gezin heeft momenteel dus geen rechtmatig verblijf in Nederland en woont in een zogeheten gezinslocatie.
Voor het kind is aan de staatssecretaris verzocht de kosten van plaatsing van een zogeheten cochleair implantaat te vergoeden zodat zij weer kan horen. De staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen. Daartegen is bezwaar gemaakt. Tevens is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de staatsecretaris de opdracht wordt gegeven om de kosten van plaatsing van een implantaat te vergoeden.

Tussenmaatregel met een voorlopig karakter

Volgens de voorzieningenrechter gaat het om een verstrekkende voorlopige voorziening die in feite neerkomt op een definitieve beslechting van het geschil. Omdat een voorlopige voorziening een tussenmaatregel is met een voorlopig karakter komt het verzoek dan ook alleen voor toewijzing in aanmerking als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe aanleiding geeft én sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het standpunt van de staatssecretaris.

Afwijzing voorlopige voorziening

Kern van het geschil is of de plaatsing van een implantaat voor het kind medisch noodzakelijke zorg is in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. Volgens de voorzieningenrechter dient de staatsecretaris bij de uitleg van het begrip medisch noodzakelijke zorg aansluiting te zoeken bij de definitie van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet. Het ligt op de weg van de vreemdeling die om vergoeding van zorgkosten vraagt, aannemelijk te maken dat sprake is van medisch noodzakelijke zorg.
Hoewel het kind veel baat kan hebben bij het zo spoedig mogelijk plaatsen van een implantaat, blijkt volgens de voorzieningenrechter uit de verklaringen van de behandelaars niet expliciet dat het inbrengen van een implantaat voor het kind, gezien de aard van de prestatie en de verwachte duur van het verblijf, medisch noodzakelijk wordt geacht. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er op dit moment onvoldoende twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van de afwijzing van de vergoeding van de kosten van het plaatsen van een implantaat. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

Geen hoger beroep mogelijk

Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter staat geen hoger beroep open. Wel dient de staatssecretaris nog te beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de vergoeding van de kosten van het plaatsen van een implantaat. De voorzieningenrechter heeft erop gewezen dat in de bezwaarschriftprocedure alsnog door middel van een verklaring van een arts aannemelijk gemaakt kan worden dat plaatsing van een implantaat medisch noodzakelijke zorg is voor het kind. De staatsecretaris zal een dergelijke verklaring dan in zijn heroverweging moeten betrekken. Tegen deze beslissing op bezwaar van de staatssecretaris kan beroep bij de rechtbank worden ingesteld.

Uitspraken

Meest gelezen berichten