In een civiele procedure spelen verschillende partijen een rol. De persoon of organisatie die naar de rechter stapt, heet eiser. Hij wil iets (een vordering) van de tegenpartij. Degene die zich in het proces moet verdedigen, heet gedaagde. Meestal laten eiser en gedaagde zich bijstaan door een advocaat. Bij een civiele procedure bij de rechtbank en het gerechtshof is dat verplicht.
In een kort geding is alleen eiser verplicht zich bij te laten staan door een advocaat. Gedaagde kan zich laten bijstaan door een advocaat maar dat hoeft niet.
Schriftelijk
Een civiele procedure begint in beginsel schriftelijk. De eiser stuurt via een deurwaarder een dagvaarding aan de gedaagde. Daarin staat wie de eiser is, wat hij wil, van wie en waarom, en welke bewijs hij heeft om zijn stelling te onderbouwen. Ook staat in de dagvaarding wanneer de zaak dient voor welke rechtbank. De woonplaats van de gedaagde bepaalt meestal bij welke rechtbank de zaak voorkomt.
De gedaagde kan op de dagvaarding reageren met een conclusie van antwoord. Daarin legt hij uit op welke punten hij het niet eens is met de eiser en waarom niet. Soms volgt nog een tweede schriftelijke ronde, die repliek en dupliek wordt genoemd.
Comparitie
Na de eerste schriftelijke ronde worden de partijen meestal opgeroepen om in persoon te verschijnen bij de rechtbank. Dat heet comparitie. Beide partijen mogen dan mondeling aan de rechter uitleggen hoe volgens hun de zaak zit. De partijen zijn niet verplicht om voor de rechter te verschijnen. Ze mogen ook hun standpunt op papier zetten en zich laten vertegenwoordigen door hun advocaat.
De rechter kan eventueel getuigen oproepen. Een getuige is verplicht te verschijnen. De rechter stelt hem als eerste vragen. Daarna kunnen de eiser en gedaagde vragen stellen aan de getuige. De rechter kan ook een deskundige vragen onderzoek te doen.
Niet actief
De civiele rechter heeft geen actieve, maar een lijdelijke rol. Dat wil zeggen dat hij afwacht welke feiten de eiser en de gedaagde naar voren brengen en luistert naar hun argumenten. Andere feiten mag hij niet meewegen in zijn oordeel. Hij mag ook niet meer schadevergoeding opleggen dan de eiser vraagt. Als een rechter vindt dat hij meer informatie nodig heeft om tot een uitspraak te komen, zal hij daar wel om vragen.
Verstek
Als een gedaagde niet op de dagvaarding reageert en ook niet op de zitting verschijnt, kan de rechter verstek verlenen. Meestal betekent dit dat de rechter de eis van de eiser overneemt in zijn vonnis. De gedaagde moet dan de kosten van de procedure betalen.
Tegen een verstekvonnis kan de gedaagde in verzet gaan bij de rechtbank. De gedaagde moet dan de eiser dagvaarden. De procedure begint dan als het ware opnieuw.
Beslissing
Nadat de rechter het dossier heeft bestudeerd en zo nodig de partijen heeft gehoord, doet hij een uitspraak. Als drie rechters over de zaak beslissen, moeten zij overleggen. Dat overleg wordt raadkamer genoemd. Als de rechters van mening verschillen, stemmen zij. Ze moeten altijd met één oordeel naar buiten komen.
De civiele rechter schrijft in een vonnis op hoe volgens hem het conflict moet worden opgelost. Hij beslist ook wie de kosten van de procedure moet betalen, zoals het griffierecht en de kosten van de deurwaarder. Partijen moeten zich aan het vonnis van de rechter houden. Wie dat niet doet, kan daartoe worden gedwongen. De deurwaarder kan dan bijvoorbeeld beslag leggen op een bankrekening of een huis ontruimen. Soms legt de rechter een dwangsom op. Dat is een stok achter de deur om ervoor te zorgen dat de verliezer meewerkt.
Verzoekschrift
Sommige civiele procedures beginnen niet met een dagvaarding, maar met een verzoekschrift. Dat is een schriftelijk verzoek aan de rechter om een bepaalde beslissing te nemen. Mensen die willen scheiden dienen bijvoorbeeld een verzoekschrift in. De beslissing van de rechter op een verzoekschrift heet een beschikking.
Hoger beroep
Wie het niet eens is met de beslissing van de rechter kan meestal in hoger beroep bij het gerechtshof. Hij vraagt dan aan andere rechters nog eens naar de zaak te kijken. Als het gaat om een bedrag dat lager is dan €1.750 kan iemand niet in hoger beroep.
Meestal is een vonnis 'uitvoerbaar bij voorraad'. Dat betekent dat de partij die heeft verloren moet doen wat in het vonnis staat, ook al gaat hij in hoger beroep. Als dat niet in het vonnis staat en een partij gaat in hoger beroep hoeft het vonnis niet te worden uitgevoerd totdat het gerechtshof over de zaak heeft beslist.
Kort geding
Een gewone civiele procedure (de bodemprocedure) duurt al gauw een jaar. Soms wil of kan de eiser niet zolang wachten, bijvoorbeeld omdat een staking dreigt, of omdat iemand niet wil dat een bepaald artikel in de krant wordt gepubliceerd. De voorzieningenrechter van de rechtbank behandelt deze spoedeisende zaken in kort geding. De eiser stuurt via een deurwaarder een dagvaarding aan de gedaagde. Daarin staat wie de eiser is, wat hij wil, van wie en waarom, en welke bewijs hij heeft om zijn stelling te onderbouwen. Ook staat in de dagvaarding wanneer de zaak dient voor welke rechtbank bij de voorzieningenrechter. De woonplaats van de gedaagde bepaalt meestal bij welke rechtbank de zaak voorkomt. De zitting vindt meestal op (zeer) korte termijn plaats.
Partijen lichten mondeling hun standpunt toe, en de voorzieningenrechter neemt snel een beslissing, vaak binnen twee weken, maar soms nog dezelfde dag. Dit is een voorlopige uitspraak. Hierna kunnen de partijen alsnog naar de rechtbank voor een bodemprocedure, maar dat komt weinig voor. Meestal leggen partijen zich bij de uitspraak in kort geding neer.
Tegen de uitspraak in kort geding kunnen partijen binnen vier weken in hoger beroep bij het gerechtshof. Tegen de uitspraak van het gerechtshof kunnen partijen in cassatie bij de Hoge Raad.