Een werkgever betaalde in oktober 2022 zijn werknemer een transitievergoeding. Vervolgens verzocht de werkgever op grond van artikel 7:673e van het Burgerlijk Wetboek om een vergoeding van dat bedrag bij het Uwv. Het Uwv kwam echter uit op een lager bedrag door een andere berekening van de omzetafhankelijke provisie. De werkgever kreeg daardoor minder terug van het Uwv dan het bedrag dat hij aan zijn werknemer had betaald en stapte naar de rechter.
Het Uwv en de werkgever baseren zich allebei op artikel 2, derde lid van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (Besluit), maar komen uit op verschillende bedragen. Partijen zijn het er over eens dat de provisie moet worden berekend over de twaalf maanden voor het einde van de arbeidsovereenkomst (de referteperiode), maar zij verschillen van mening over de vraag welke provisiebedragen in die periode vallen.
De rechtbank Gelderland stelde de werkgever in het gelijk en gaf het Uwv de opdracht een nieuwe berekening te maken. Het Uwv was het daar niet mee eens en ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.