Wajong-uitkering en rechtens ontnemen van vrijheid

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Wajong-uitkering en rechtens ontnemen van vrijheid
Utrecht, 18 mei 2017

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 12 mei 2017 dat vier maanden nadat de tbs-maatregel onherroepelijk was geworden zonder dat appellant feitelijk in een tbs-kliniek was geplaatst de Wajong-uitkering niet meer geweigerd kon worden op de grond dat appellant ‘rechtens’ zijn vrijheid was ontnomen.

De Wajong-uitkering wordt na een maand detentie ingetrokken als aan de Wajong-gerechtigde rechtens de vrijheid is ontnomen. Op 14 februari 2006 is de aan appellant opgelegde tbs-maatregel onherroepelijk geworden, terwijl de uitvoering hiervan pas op 20 maart 2007 is begonnen. In de tussentijd (de passantentermijn) zat appellant in detentie, in afwachting van de plaatsing in een tbs-kliniek. De hem ook opgelegde gevangenisstraf had hij toen al uitgezeten.

Over de duur van deze passantentermijn heeft appellant een klacht ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Bij arrest van 5 april 2011, 6051/07, heeft het EHRM geoordeeld dat weliswaar een zekere overbruggingsperiode acceptabel is, maar dat de door appellant voltooide passantentermijn van ruim dertien maanden strijd oplevert met artikel 5, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit het arrest van het Hof volgt dat in ieder geval niet voor de hele periode in geding gezegd kan worden dat aan appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Het Hof heeft zich niet expliciet uitgelaten over de vraag hoe lang een passantentermijn mag zijn om nog te kunnen spreken van lawful detention in de zin van artikel 5 EVRM. Uit de aan appellant in die procedure door het Hof toegekende compensatie, die overeenkwam met de door de Nederlandse Staat aangeboden compensatie, uitgaande van een overschrijding van de termijn nadat vier maanden waren verstreken, kan niet worden afgeleid dat het Hof een termijn van vier maanden niet acceptabel zou vinden. Mede onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5074, wordt daarom aangenomen dat na een passantentermijn van vier maanden sprake is van een onrechtmatige vrijheidsbeneming.

Hiervan uitgaande moet de conclusie zijn dat vier maanden nadat de tbs-maatregel onherroepelijk was geworden zonder dat appellant feitelijk in een tbs-kliniek was geplaatst, de Wajong-uitkering niet meer geweigerd kon worden op de grond dat appellant ‘rechtens’ zijn vrijheid was ontnomen.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten