Protocol inzet raadsheren-plaatsvervangers

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksGerechtshof Den Haag > Regels procedures en klachten > Protocol inzet raadsheren-plaatsvervangers

Inleiding

Aan het Gerechtshof Den Haag zijn raadsheren-plaatsvervangers verbonden. Het hof kiest om diverse (kwalitatieve) redenen voor inzet van plaatsvervangers in de rechtspraak. Die inzet dient echter vergezeld te gaan van concrete richtlijnen met als doel te voorkomen dat de inzet van een raadsheer-plaatsvervanger vragen oproept over zijn of haar onpartijdigheid als rechter. Daartoe dient dit protocol.

    

 

Leidraad als basis

Als basisrichtlijn geldt de "Leidraad onpartijdigheid  en nevenfuncties van de Rechtspraak", vastgesteld in 2014 door de vergadering van presidenten van rechtbanken en appelcolleges en de Nederlandse Vereniging voor rechtspraak. De aanbevelingen in die Leidraad zetten de rechter en het gerecht aan tot permanente oplettendheid om de rechterlijke onpartijdigheid te bewaken. De Leidraad geeft de rechter een houvast bij de beantwoording van de vraag of toetsing van zijn of haar onpartijdigheid ertoe behoort te leiden dat hij/zij een bepaalde zaak niet behandelt.

 

 

Richtlijnen Gerechtshof Den Haag

De hieronder staande richtlijnen zijn te beschouwen als zijn aanvullingen op de Leidraad. De richtlijnen geven aan wanneer van de inzet van een raadsheer-plaatsvervanger wordt afgezien. Zij gelden uitsluitend het gerechtshof intern en geven richting aan houvast voor de inzet van plaatsvervangers en de implicaties van het zijn van plaatsvervanger voor de uitoefening van andere professionele activiteiten. Derden kunnen daaraan geen rechten ontlenen. Naast algemene regels, gelden er per sector soms specifieke afspraken over de inzet.

 

 

Algemeen

Voor raadsheren-plaatsvervangers geldt dat zij niet worden ingezet op zaken waarbij zij uit hoofde van hun functie zijn betrokken (zie ook aanbeveling 17 Leidraad). Zij worden evenmin ingezet op zaken met een geschilpunt waarover zij zich in publicaties of anderszins in het openbaar anders dan in algemene zin hebben uitgelaten.
Meer in het bijzonder geldt op dit punt bovendien dat:

  • een raadsheer-plaatsvervanger in het hof Den Haag niet als partijdeskundige zal optreden in zaken die bij het hof dienen of kunnen komen (dus van de ressortsrechtbanken Rotterdam en Den Haag);
  • een raadsheer-plaatsvervanger in het hof Den Haag geen artikelen zal schrijven over of noten zal schrijven bij uitspraken van het eigen hof en bij uitspraken in eerste aanleg die in hoger beroep bij het hof kunnen komen. Het gaat hierbij in het bijzonder om uitspraken van de rechtbanken Rotterdam en Den Haag die nog niet in kracht van gewijsde zijn gegaan.

De voorgaande verbijzondering geldt niet voor aan de Zaaizaad- en Plantgoedwet Kamer verbonden raden-plaatsvervangers, omdat die Kamer landelijk opereert.

Plaatsvervangers worden door deze restricties niet belet om in de context van (wetenschappelijke) publicaties of annotaties bij bijvoorbeeld uitspraken van de Hoge Raad, uitspraken van de rechtbanken Rotterdam of Den Haag in hun beschouwing mee te nemen. In dergelijke situaties komt die uitspraak immers aan de orde in het kader van een breder opgezet betoog. Ongewenst is dat gepubliceerd wordt over of annotaties worden geschreven bij uitspraken van voormelde rechtbanken, waarbij deze uitspraken het middelpunt van de publicatie vormen.

Plaatsvervangers worden zoveel mogelijk ingezet volgens hun specialisme. Voor alle afdelingen en het team belastingrecht van het hof geldt als uitgangspunt dat plaatsvervangers slechts in een meervoudige kamer worden ingedeeld waarvan twee leden vast lid zijn van het hof dan wel één vast lid en één raadsheer-plaatsvervanger die oud vast raadsheer is (hieronder categorie 1).

Ten aanzien van een plaatsvervanger die voor een periode van twee jaar niet is ingezet, stelt het bestuur vast of verwacht kan worden dat binnen afzienbare tijd een beroep op inzet zal worden gedaan. Die vaststelling gebeurt jaarlijks voor 1 april na advies van de betreffende afdelingsvoorzitter. In het geval dat wordt vastgesteld dat die verwachting er niet is, wordt de betreffende plaatsvervanger in overweging gegeven ontslag te nemen. Vooruitlopend daarop wordt ten aanzien van deze plaatsvervanger in het register opgenomen dat hij als zodanig niet wordt ingezet.

 

 

Richtlijn per categorie raadsheer-plaatsvervanger

 

1. voormalige vaste raadsheren van het hof

Voor deze categorie geldt geen speciale richtlijn. Verwezen wordt naar de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties. 

2. rechters van rechtbanken en raadsheren in andere appelcolleges

Zij worden niet ingezet op zaken afkomstig van hun college. Leden van de CRvB en het CBB worden niet ingezet op zaken waarbij dezelfde partijen betrokken zijn of hetzelfde (feitelijke) geschil aan de orde is als in een zaak die aanhangig is/was bij het eigen college.

 

3. leden van de Raad van State

Zij worden niet ingezet op zaken die in feitelijke of juridische zin in niet ver verwijderd verband staan met de inhoud van adviserende of rechtsprekende activiteiten, die zij als staatsraad hebben verricht of mogelijk zullen verrichten. Voor zover zij in de afdeling bestuursrechtspraak of de afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State als rechter over een zaak hebben geoordeeld, geldt hetzelfde als voor leden van de CRvB en CBB.

4. departementsambtenaren

Voor hen geldt de hierboven vermelde algemene richtlijn. Zij worden niet ingezet op zaken waarbij het bedrijf waar zij werkzaam zijn (in ruime zin) betrokken is of een belang heeft bij de procedure.

Zij worden niet ingezet op zaken aangaande strafrechtelijke overheidsaansprakelijkheid of op zaken van de Staat der Nederlanden voor zover de zaak het departement betreft waar de plaatsvervanger werkzaam is. Voorts worden zij niet ingezet op zaken betreffende ambtenaren werkzaam op hetzelfde departement.

 

5. hoogleraren en wetenschappelijk medewerkers

Voor hen geldt de hierboven vermelde algemene richtlijn.

6. bedrijfsjuristen

Zij worden niet ingezet op zaken waarbij het bedrijf waar zij werkzaam zijn (in ruime zin) betrokken is of een belang heeft bij de procedure.

 

7. octrooigemachtigden

De plaatsvervanger die octrooigemachtigde is, treedt niet als partijdeskundige op in een octrooiprocedure voor het hof. Evenmin vergezelt hij een van de partijen tot bijstand. Hij/zij afficheert zich in opiniërende en/of commerciële uitingen niet als plaatsvervanger.

8. advocaten

a. Advocaten van buiten het ressort die als raadsheer-plaatsvervanger aan het hof zijn verbonden, zullen vanaf 1 juli 2012 niet optreden als advocaat of adviseur in enige bij het hof dienende procedure, behoudens wat betreft de zaken die al bij het hof aanhangig zijn en waarin van die betrokkenheid opgave is gedaan. Zij kunnen niet optreden als plaatsvervanger in zaken die zij of een kantoorgenoot als advocaat of adviseur behandelen.

b. Gespecialiseerde advocaten worden niet ingezet op zaken van hun specialisme wanneer zij op dit specialistisch terrein (vrijwel) steeds een bepaald soort partij vertegenwoordigen en hierdoor bij één van de procespartijen de schijn van partijdigheid zou kunnen worden gewekt.

 

9. (oud) belastingadviseurs

Belastingadviseurs worden niet meer als raadsheer-plaatsvervanger ingezet als zij bij het hof in een fiscale procedure ter zitting verschijnen als gemachtigde van een partij. Dit geldt ook als zij een partij of diens gemachtigde tot bijstand vergezellen.