OM moet meer informatie geven over afspraken met Sonja Holleeder

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Amsterdam > Nieuws > OM moet meer informatie geven over afspraken met Sonja Holleeder
Amsterdam, 23 februari 2018

Het Openbaar Ministerie moet meer informatie geven over de afspraken die zijn gemaakt met Sonja Holleeder in aanloop naar het proces tegen Willem Holleeder. Specifiek moet het OM de vraag beantwoorden of, en zo ja, wat voor afspraken er zijn gemaakt over de inhoud van haar verklaringen, in aanvulling op de afspraak dat zij vrij kan verklaren zonder strafrechtelijke gevolgen. Dat heeft de rechtbank bepaald naar aanleiding van een verzoek van de verdediging.

De volledige beslissing van de rechtbank:

Het verzoek van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft naar aanleiding van het verhoor van de getuige Sonja Holleeder inzage gevraagd in de overeenkomst tussen de getuige en het openbaar ministerie gesloten voorafgaand aan de voortzetting van de verhoren in februari 2017 op grond waarvan de getuige, naar eigen zeggen, over het strafrechtelijk onderzoek naar het losgeld van de Heinekenontvoering en de financiering van de panden aan de Achterdam, genaamd Goudsnip, vrij kan verklaren zonder dat dat strafrechtelijke consequenties voor haar zal hebben.

Nu de getuige heeft verklaard dat verdachte Cor van Hout heeft vermoord om de panden aan de Achterdam in handen te krijgen, acht de raadsman de inhoud van die overeenkomst relevant voor de beantwoording van de vraag of de getuige bij de rechter-commissaris en ter zitting de (volledige) waarheid heeft verklaard, over de verkoop van de panden aan de Achterdam die Cor van Hout naliet toen hij werd doodgeschoten in 2003. De verdediging heeft daarbij benadrukt dat het er om gaat de betrouwbaarheid van deze getuige te kunnen toetsen.

De raadsman vermoedt dat de getuige daarover niet de waarheid spreekt en wijst daarbij naar de onderzoeksresultaten uit het dossier Goudsnip en het feit dat de getuige in 2013 tegenover de officier van justitie mr. Wind als voorwaarde om haar kluisverklaringen te gebruiken, heeft gesteld dat anderen die last hebben (gehad) van het Goudsnip-onderzoek ongemoeid zouden blijven. 

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich tegen inzage in de overeenkomst door de raadsman en verdachte verzet, omdat daarvan de relevantie door de raadsman niet aannemelijk is gemaakt. Het enkele feit dat de getuige anders heeft verklaard dan de raadsman had verwacht, maakt niet dat inzage in de overeenkomst relevant is.

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beoordeling van het verzoek acht de rechtbank het volgende van belang.

Met de getuige is door het openbaar ministerie in 2011 in het onderzoek Goudsnip een vertrouwelijke overeenkomst gesloten die -kort gezegd- inhoudt dat zij niet langer zal worden vervolgd als zij een bedrag van 1,1 miljoen euro betaalt.

Uit het proces-verbaal van 19 augustus 2015 van officier van justitie mr. Wind blijkt dat de getuige in februari 2013 contact heeft gezocht met het openbaar ministerie, met het doel belastende verklaringen over verdachte af te leggen. In mei 2013 is door getuige tegenover mr. Wind naar voren gebracht dat haar kluisverklaringen alleen gebruikt zouden kunnen worden als andere mensen die last hebben gehad van het onderzoek Goudsnip buiten schot zouden blijven. Deze mensen waren volgens getuige in die ellende terecht gekomen omdat getuige nooit de waarheid over Goudsnip heeft kunnen vertellen.
Ook blijkt uit het proces-verbaal van mr. Wind dat de getuige uiteindelijk geen voorwaarden heeft verbonden aan het gebruik van haar kluisverklaringen.

Op 20 juli 2016 heeft de getuige tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris, in antwoord  op vragen van de raadsman van verdachte over het onderzoek Goudsnip en de Achterdam,  gezegd dat zij daarover eerder niet de waarheid heeft verteld en zich verder op haar verschoningsrecht beroepen, omdat zij zichzelf als verdachte zou kunnen belasten als zij daarover zou verklaren. Dat verschoningsrecht is door de rechter-commissaris toegekend, nadat de rechter-commissaris inzage in de overeenkomst uit 2011 had gehad. De getuige zou op basis van die overeenkomst opnieuw als verdachte kunnen worden aangemerkt als zou blijken van andere feiten en omstandigheden dan in 2011 bekend waren, volgens de rechter-commissaris

Door getuige is voorafgaand aan haar verhoor in februari 2017 een nieuwe vertrouwelijke overeenkomst met het openbaar ministerie gesloten. Vanaf februari 2017 heeft zij op alle vragen die het onderzoek Goudsnip en de overdracht van de Achterdam betreffen, antwoord gegeven. Ter zitting van 20 februari 2018 heeft de getuige desgevraagd gezegd dat zij door die nadere overeenkomst vrij kan verklaren zonder consequenties.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken van enig verband tussen de in 2011 en 2016 gesloten overeenkomsten en de inhoud van de belastende verklaringen van de getuige over verdachte.

Dat neemt niet weg dat de rechtbank met de raadsman van oordeel is dat de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige over het onderzoek Goudsnip en de overdracht van de Achterdam relevant kan zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de overige verklaringen van de getuige.

De rechtbank staat daarmee voor de vraag of inzage in de overeenkomst tussen getuige en het openbaar ministerie die in december 2016 is afgesloten, relevant kan zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de (huidige) verklaring van de getuige over Goudsnip.
De rechtbank is van oordeel dat daarvan eerst sprake kan zijn als de getuige met het openbaar ministerie, naast de afspraak dat zij vrij is te verklaren zonder strafrechtelijke consequenties voor haarzelf, nog andere afspraken over de inhoud van haar verklaringen heeft gemaakt, bijvoorbeeld dat zij niet over andere personen hoeft te verklaren.

De rechtbank draagt het openbaar ministerie op om bij proces-verbaal antwoord te geven op de vraag of met de getuige in de nieuwe overeenkomst voorafgaand aan de verhoren in februari 2017 afspraken zijn gemaakt over de inhoud van haar verklaringen, anders dan -vrij vertaald - dat zij vrij is te verklaren zonder strafrechtelijke consequenties, en zo ja, welke afspraken dit zijn.

De rechtbank draagt het openbaar ministerie op om bovengenoemd proces-verbaal uiterlijk op 9 maart 2018 te overleggen.

Uitspraken

Meest gelezen berichten