Rechtbank wijst vonnis in de zaken over de treinkaping bij de Punt in 1977

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Den Haag > Nieuws > Rechtbank wijst vonnis in de zaken over de treinkaping bij de Punt in 1977
Den Haag, 25 juli 2018

Vandaag heeft de Rechtbank Den Haag eindvonnis gewezen in de civiele zaken die nabestaanden van gijzelnemers Max Papilaja en Hansina Uktolseja tegen de Nederlandse Staat hebben aangespannen. Zij vorderen genoegdoening van de Staat.
Max Papilaja en Hansina Uktolseja hebben in 1977 samen met zeven andere Molukse jongeren een trein bij De Punt gekaapt. Tijdens de beëindiging van de kaping zijn zij doodgeschoten. Eisers hebben aangevoerd dat Max Papilaja en Hansina Uktolseja zonder noodzaak door mariniers zijn gedood, terwijl zij een concrete mogelijkheid hadden om hen te arresteren. De Staat betwist dit en vindt dat het optreden van de mariniers rechtmatig was. De Rechtbank wijst de vorderingen af.

Voor mariniers niet duidelijk dat gijzelnemers ernstig verwond en ongewapend waren

De rechtbank oordeelt dat eisers er niet in zijn geslaagd te bewijzen dat Max Papilaja en Hansina Uktolseja in de trein van dichtbij zijn doodgeschoten terwijl duidelijk was dat zij geen gevaar meer vormden doordat zij ernstig verwond en ongewapend waren.
Het is niet komen vast te staan dat het dodelijk schot op Max Papilaja door een marinier in de trein is gelost. Meer in het bijzonder is niet komen vast te staan dat dit schot is gelost door de marinier met codenaam 5B, die als enige in de trein op hem geschoten heeft; evenmin is komen vast te staan dat het de marinier met codenaam 2D, die Hansina Uktolseja heeft doodgeschoten, duidelijk was dat zij ernstig verwond en ongewapend was.

Oprechte veronderstelling van mariniers dat geweld geboden was

Zowel marinier 2D als marinier 5B waren achteraf bezien in de onjuiste, maar oprechte en daardoor verschoonbare veronderstelling dat hun gewelddadige optreden geboden was.

Geen nadere verhoren

Eisers hebben gesteld dat sprake is geweest van een heimelijke instructie van hogerhand dat geen enkele gijzelnemer mocht overleven. De rechtbank oordeelt dat eisers deze stelling onvoldoende concreet hebben toegelicht, afgewogen tegen dat wat de Staat tegen het bestaan van een dergelijke instructie heeft ingebracht. Daarom zullen geen nadere getuigen meer verhoord worden. 

Geweldsinstructie niet onrechtmatig

De officiële schriftelijke geweldsinstructie en de mondelinge toelichting daarop zijn niet onrechtmatig.

Getuigenverklaringen niet ongeloofwaardig

Het feit dat de mariniers tijdens de verhoren voornamelijk hebben verklaard over hun eigen optreden en niet over dat van hun collega-mariniers en de stemmen en uitlatingen op de geluidsopnamen niet hebben herkend, biedt onvoldoende steun voor de stelling van eisers dat de getuigenverklaringen van de mariniers ongeloofwaardig en op elkaar afgestemd zijn.

Geen ontoelaatbare voorbereiding

De Rechtbank oordeelt ten slotte dat er onvoldoende grond is om te veronderstellen dat sprake is geweest van ontoelaatbare voorbereiding van de mariniers op hun verhoren.

Uitspraken