De officier van justitie eiste een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een taakstraf van 240 uur. De rechtbank vindt deze straf niet passend. De man maakte zich ruim 2,5 jaar lang schuldig aan witwassen. Hij gaf over een langere periode geld dat afkomstig is van criminele activiteiten uit aan (onder andere) luxe goederen, levensonderhoud en verschillende reizen.
De rechtbank constateert dat er sprake is van schending van de redelijke termijn, maar vindt dat deze termijn deels niet is gehaald door het te laat aanleveren van stukken en het niet op orde zijn van de administratie van de man. Het kostte de politie veel tijd om stukken te krijgen en om de door de man aangeleverde stukken op een rij te zetten en te duiden. Als hij sneller stukken had ingeleverd, dan had de zaak eerder afgedaan kunnen worden.
Vanwege het ondermijnende karakter van het delict en de hoogte van het witgewassen bedrag, vindt de rechtbank alleen een gevangenisstraf passend. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in de overschrijding van de termijn en de leeftijd van de man geen reden om in onvoorwaardelijke zin alleen een taakstraf op te leggen. Dit doet onvoldoende recht aan de ernst van het delict. Wel ziet de rechtbank in de genoemde omstandigheden aanleiding om de gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm op te leggen. Dat voorwaardelijke strafdeel van 4 maanden dient dan bovendien voor de man als de spreekwoordelijke 'stok achter de deur'.