De rechtbank gaat in deze zaak uit van een ‘planmatige moord in familieverband’. Er is, onder andere in de media, veel gezegd en geschreven over het begrip eerwraak. De rechtbank stelt in ieder geval vast dat de familie-eer een forse rol heeft gespeeld bij de moord. Daarnaast kan ook de typering ‘femicide’ op deze moord worden gelegd. De rechtbank oordeelt dat het motief voor deze moord zeer kwalijk is en daarmee strafverhogend. Bij vader, die het doden van zijn dochter ook heeft bekend, houdt de rechtbank rekening met zijn leidende rol. Bovendien is hij na zijn daad direct gevlucht naar Syrië, een land waar Nederland geen rechtshulprelatie mee heeft. De rechtbank schrijft daarover: ‘Terwijl hij de mond vol heeft van eer, heeft hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft hij zijn familie in een deplorabele staat achtergelaten.’ De rechtbank legt de vader de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar op. Dat is vijf jaar hoger dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank weegt nog zwaarder dan het Openbaar Ministerie mee dat hij een leidende rol heeft gehad, dat hij zijn zoons heeft betrokken bij het begaan van een gruwelijk misdrijf, dat hij uiterst berekenend te werk is gegaan en dat hij de moord met zijn eigen handen heeft uitgevoerd. De broers worden beiden, conform de eis van de officier, veroordeeld tot een celstraf van 20 jaar.