Rechtbank Noord-Nederland veroordeelt veroorzaakster ongeval Lauwersoog

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Noord-Nederland > Nieuws > Rechtbank Noord-Nederland veroordeelt veroorzaakster ongeval Lauwersoog
Groningen, 09 mei 2018


De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een vrouw die op 20 augustus 2017 betrokken is geweest bij een verkeersongeval op de Zeedijk te Lauwersoog, waarbij twee voetgangers om het leven zijn gekomen en één voetganger gewond is geraakt, voor gevaarzetting in het verkeer (overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994) veroordeeld. Voor de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) is vrijspraak gevolgd.

Toedracht van het verkeersongeval

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte met haar personenauto de Zeedijk, een voorrangsweg, is opgereden, zonder daarbij een van links komende bus op te merken. De buschauffeur is vol op de rem gaan staan en verdachte heeft, toen zij de bus wel zag, gas gegeven om een aanrijding met de bus te voorkomen. Verdachte is min of meer rechtdoor gereden, het daar tegenover gelegen parkeerterrein op, waar zij met haar auto in botsing is gekomen met de drie slachtoffers.
Het 44-jarige mannelijke slachtoffer is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden. De andere twee slachtoffers, zijn 9-jarige dochter en 8-jarige zoon, zijn naar het ziekenhuis vervoerd, waar het meisje twee dagen later is overleden.

Geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

De rechtbank heeft niet bewezen geacht dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen, hetgeen nodig is om van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen spreken. Door geen voorrang te verlenen aan de bus heeft verdachte een verkeersovertreding begaan, maar naar het oordeel van de rechtbank leveren de gedragingen van verdachte daarna, bedoeld om een aanrijding met de bus te voorkomen, geen zelfstandige, de voorrangsfout opvolgende, verkeersfouten op. Mede omdat niet vast staat dat voor verdachte nog de mogelijkheid bestond een aanrijding te voorkomen door te remmen, kan aan verdachte niet worden tegengeworpen dat zij in die verkeerssituatie uit lijfsbehoud gas heeft gegeven. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat verdachte de verkeersovertreding, bestaande uit het niet voorrang verlenen aan de bus, heeft begaan in een moment van onoplettendheid, hetgeen niet zonder meer aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 oplevert. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist, die in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet zijn gebleken.

Gevaarzetting

De rechtbank heeft wel bewezen geacht dat verdachte door haar verkeersovertreding de veiligheid op de weg in gevaar heeft gebracht. De bus moest immers vol in de remmen en verdachte reed, als gevolg van haar eigen overtreding, buiten de rijbanen van de weg en kwam in botsing met andere verkeersdeelnemers. Het door de verdediging gedane beroep op afwezigheid van alle schuld heeft de rechtbank verworpen, omdat verdachte de tijd had kunnen en moeten nemen om zich er beter van te vergewissen dat geen verkeer op de voorrangsweg naderde. Verdachte had dus een mogelijkheid om de gevaarzetting te vermijden.

Straf


Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de zeer ernstige gevolgen van het verkeersgedrag van verdachte, maar ook betrokken dat de verkeersfout die verdachte heeft gemaakt, juridisch gezien, niet meer dan een overtreding oplevert. De rechtbank heeft er verder rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld, verantwoordelijkheid voor het feit heeft genomen en als gevolg van het verkeersongeval aan een posttraumatische stressstoornis lijdt. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren en heeft daarnaast aan verdachte een rijontzegging van 6 maanden, waarvan de helft voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren opgelegd.

Uitspraken

Meest gelezen berichten