De burgemeester had de organisator van een jaarlijkse islamitische conferentie verboden om 7 buitenlandse gastsprekers de conferentie van 24 tot 27 december in Eindhoven te laten bijwonen. De organisator verzocht de voorzieningenrechter net voor die conferentie om dat besluit te schorsen totdat onherroepelijk op het bezwaar en beroep zou zijn beslist. De voorzieningenrechter wees dat verzoek op 23 december kort gezegd af. De organisator trok toen de uitnodigingen aan de gastsprekers in en liet de conferentie doorgaan zonder de gastsprekers. Wel stelde de organisator beroep in bij de rechtbank, zodat hij bij een volgende conferentie de gastsprekers opnieuw kon uitnodigen.
Volgens de organisator maakte de burgemeester met het besluit onder meer een ontoelaatbare inbreuk op de grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting. Ook zou de burgemeester in strijd hebben gehandeld met de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast stelt de organisator dat er geen ernstige vrees bestond voor de verstoring van de openbare orde of dat die vrees in ieder geval onvoldoende gemotiveerd was.
De burgemeester stelt dat hij bevoegd was de grondrechten te beperken als er sprake was van een ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. De vrees baseerde de burgemeester onder meer op informatie die hij had over de ingetrokken visa van de gastsprekers. In elk geval stonden 5 van de gastsprekers gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS) vanwege bedreiging van de openbare orde.
De rechtbank oordeelt dat de conferentie moet worden gezien als het recht op vergadering en betoging (artikel 9 van de Grondwet). De burgemeester was niet bevoegd om op grond van de Gemeentewet inbreuk te maken op dit Grondrecht. De burgemeester heeft daarmee op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op dat recht door te verhinderen dat de gastsprekers konden spreken op de conferentie. Dat betekent dat de burgemeester de komst van de gastsprekers niet mocht verbieden. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de andere beroepsgronden, omdat de eerste beroepsgrond ‘het ontoelaatbare inbreuk op de grondrechten van de organisator’ slaagt.