De rechtbank acht daarom dat behandelingen in het kader van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf of in het kader van een tbs met voorwaarden niet afdoende om het recidiverisico af te wenden. Daarbij is met name van belang dat de verdachte niet bereid lijkt om aan alle gestelde voorwaarden van ook de door hem gewenste behandeling(en) mee te werken.
De rechtbank is van oordeel dat deze houding van de verdachte in combinatie met het feit dat de verdachte kort na de beëindiging van zijn eerdere tbs-maatregel recidiveert tot niets anders dan de oplegging van een nieuwe terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan leiden. Daarnaast wordt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 300 dagen opgelegd.