Voormalig directeur Havenbedrijf Rotterdam schuldig aan ambtelijke omkoping valsheid in geschrift en oplichting

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Rotterdam > Nieuws > Voormalig directeur Havenbedrijf Rotterdam schuldig aan ambtelijke omkoping valsheid in geschrift en oplichting
Rotterdam , 15 oktober 2010

 

Vandaag heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de zaak van de voormalige directeur van het Rotterdamse Havenbedrijf. Er is een gevangenisstraf opgelegd van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank Rotterdam heeft bewezen verklaard dat de verdachte, in zijn functie van directeur Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam (hierna: GHR) een gift, in de vorm van het gebruik van een luxueus appartement in Antwerpen, heeft aangenomen van zijn zakelijke relatie (het RDM-concern, in de persoon van diens directeur) teneinde deze een voorkeursbehandeling te geven. Niet bewezen is dat de verdachte geldbedragen van ongeveer 1,2 miljoen euro van het RDM-concern/diens directeur met dat doel heeft aangenomen.

De rechtbank heeft voorts bewezen verklaard dat de verdachte certificaten valselijk heeft opgemaakt, dan wel laten opmaken voor het aangaan en afgeven van garanties door het Havenbedrijf Rotterdam N.V. (hierna: HbR) ten behoeve van leningen aan het RDM-concern. In een bevestigingsbrief, jaarrekeningen en jaarverslagen van het GHR heeft de verdachte in strijd met de waarheid opgenomen dan wel laten opnemen dat bij het opmaken van de jaarrekeningen rekening is gehouden met alle bekende feiten en omstandigheden die van belang zijn voor een getrouw beeld van de financiële positie van het GHR en van de baten en lasten.

De rechtbank heeft tevens bewezen verklaard dat de verdachte de gemeente Rotterdam en het HbR heeft opgelicht. Door gebruik te maken van een raamovereenkomst, garanties, valse certificaten, valse jaarrekeningen en -verslagen, een valse bevestigingsbrief en door informatie geheim en achter te houden, heeft de verdachte de gemeente Rotterdam en het HbR bewogen tot het aangaan van schulden en verplichtingen voortvloeiend uit die raamovereenkomst en garanties.

Niet bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken, dan wel doen opmaken van een raamovereenkomst tussen het GHR en RDM Holding N.V. Niet vastgesteld is dat de raamovereenkomst is geantedateerd. Voorts maakt de enkele stelling dat de verdachte onbevoegd de raamovereenkomst heeft getekend die raamovereenkomst nog niet vals.

Voorts is niet bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken, dan wel doen opmaken van garanties namens het GHR en het HbR ten behoeve van leningen aan het RDM-concern. Ten aanzien van de namens het GHR gegeven garanties is onvoldoende vast komen te staan dat de verdachte wist dat hij niet bevoegd was om het GHR en daarmee de gemeente Rotterdam te binden. Ten aanzien van de namens het HbR gegeven garanties was de verdachte naar Nederlands recht in beginsel bevoegd de vennootschap extern te binden, hetgeen dan ook niet in strijd met de waarheid in de garanties is opgenomen.

Valsheid in geschrift, oplichting en ambtelijke corruptie zijn ernstige delicten. Door het begaan van de bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte niet alleen het vertrouwen dat in hem als ambtenaar mocht worden gesteld ernstig beschaamd en heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van financiële bescheiden en schriftelijke overeenkomsten moet kunnen worden gesteld schade toegebracht. Bovendien heeft de verdachte zijn werkgever, de gemeente Rotterdam, grote financiële schade toegebracht, nu deze zich als gevolg van verdachtes handelen genoodzaakt zag om voor meerdere miljoenen euro’s een aantal particulieren schadeloos te stellen.

De verdachte heeft zich in zijn persoonlijke oordeelsvorming laten leiden door een groot vertrouwen in de directeur van het RDM-concern enerzijds en het door hem gevoelde belang van de zogenaamde Taiwankwestie anderzijds. Hij zag in de mogelijke reactie van China op een levering van onderzeeboottechnologie aan Taiwan door RDM een reële dreiging voor de Rotterdamse haven. Wat er ook zij van de realiteit van die dreiging, aannemelijk is dat de verdachte deze als zodanig heeft opgevat. De verdachte heeft echter volstrekt verkeerd gehandeld door zonder zijn werkgever in te lichten compensatie aan het RDM-concern te bieden in de vorm van garanties aan banken.

Uitspraken

Meest gelezen berichten