Uitsteltermijn nadere gronden schort beslistermijn niet op
In geschil is of het college bij de bepaling van de hoogte van de dwangsomBedrag dat iemand moet betalen als hij niet voldoet aan een verplichting die hem door de rechter is opgelegd. In het bestuursrecht is het een bedrag dat iemand moet betalen als niet voldaan wordt aan de last die door een bestuursorgaan is opgelegd. terecht rekening heeft gehouden met de aan appellantDegene die in hoger beroep gaat. gegeven termijn van twee weken voor het aanvullen van de gronden, met welke termijn volgens het college de termijn om op het bezwaar te beslissen werd opgeschort. Appellant stelt zich op het standpunt dat geen sprake was van een verzuim en dat hij ook niet heeft ingestemd met opschorting van de beslistermijn. De hierop betrekking hebbende beroepsgronden treffen doel, waartoe het volgende wordt overwogen.
Appellant heeft al in bezwaarProtest van een particulier of organisatie tegen bepaald overheidshandelen. en ook in beroep naar voren gebracht dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat hij bij het indienen van het bezwaarschrift in verzuim was, dat daarom toepassing van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb niet aan de orde kan zijn en dat dit overigens moet worden onderscheiden van de toepassing van het vierde lid van dat artikel, bij welke toepassing wel relevant is of al dan niet met verder uitstel wordt ingestemd. Gelet hierop kan de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. niet worden gevolgd in haar oordeel dat in het midden kan blijven of het bezwaarschrift wel voldeed aan de vereisten voor het indienen daarvan. Een oordeel daarover dient wel te worden gegeven. Daarbij moet, anders dan de rechtbank heeft gedaan, toepassing van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb los worden gezien van toepassing van het vierde lid van dat artikel. Het bezwaarschrift zelf bevat als bezwaargrond dat appellant niet verwijtbaar heeft gehandeld. Van een verzuim als bedoeld in artikel 7:10, tweede lid, van de Awb is daarom geen sprake. Met het geven van een (nadere) termijn voor het aanvullen van de gronden, zoals het college heeft gedaan, is de wettelijke termijn om op het bezwaarschrift te beslissen dus niet voor de duur van de geboden termijn opgeschort. Dit is niet anders in het geval, zoals hier aan de orde, waarin de betrokkene zelf om een termijn voor het indienen van nadere gronden heeft verzocht. De conclusie is dat de termijn van twee weken die het college aan appellant heeft gegeven voor het aanvullen van de bezwaargronden niet kan worden opgeteld bij de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift diende te worden beslist. Het college heeft ter zitting van de Raad erkend dat, indien daarvan wordt uitgegaan, het bedrag van de dwangsom moet worden bepaald op het maximumbedrag. De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht. Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.