Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026

De procesregeling

De Afdeling Rechtspraak die zich bezighoudt met geschillen over besluiten van een bestuursorgaan. De geschillen kunnen zich zowel tussen particulieren, organisaties en bestuursorganen als tussen bestuursorganen onderling afspelen. Bestuursrecht is de moderne benaming voor wat vroeger administratief recht heette. van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven hebben de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026 vastgesteld. Deze procesregeling vervangt de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014, het Procesreglement bestuursrecht 2017, de Procesregeling onteigeningszaken 2024 (Afdeling bestuursrechtspraak), en de Procesregeling vreemdelingenzaken (Afdeling bestuursrechtspraak).

De procesregeling vult enige zaken aan die niet zijn geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De procesregeling biedt daarmee aanvullende uitgangspunten voor een procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Hoogste adviescollege van de staat dat adviseert over alle wetsontwerpen en algemene maatregelen van bestuur; de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist in hoogste instantie in geschillen over besluiten van overheidsorganen., de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het doel van deze procesregeling is om partijen en andere belanghebbenden te informeren over wat zij kunnen verwachten en wat van hen wordt verwacht. Juridisch gesproken is het doel daarmee om kenbaar invulling te geven aan (discretionaire) bevoegdheden die de wet aan de rechter biedt. De procesregeling bevat dus uitgangspunten, geen verbindende voorschriften. 

Ten opzichte van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014 zijn veel wijzigingen doorgevoerd. In de eerste plaats zijn vier regelingen samengevoegd in één. Verder is de digitale procedure als uitgangspunt genomen. Ten slotte zijn veel nieuwe onderwerpen die hiervoor nog niet of nauwelijks geregeld waren nu wel geregeld. Dat laatste gaat bijvoorbeeld om de procedure om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Verzamelnaam voor functies die zich binnen de overheid bezighouden met de handhaving van het recht. van de EU en de verzoekprocedure over schadevergoeding.

Inhoud

Hoofdstuk 1 Algemeen

In dit hoofdstuk staat informatie die voor de hele procesregeling van belang is.

Artikel 1.1 Definities

  1. In deze regeling worden verschillende termen en afkortingen gebruikt waarvan de betekenis niet algemeen bekend is. Hieronder zijn de meest voorkomende termen en afkortingen kort uitgelegd.
    a. de Degene die in hoger beroep gaat.: degene die het Geschrift waarmee een (bestuursrechtelijke) procedure tegen de overheid wordt ingesteld. In (civiele) verzoekschriftprocedures is een ‘beroepschrift’ het schriftelijke stuk waarmee hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak van de (civiele) rechter. bij het college heeft ingediend;
    b. Awb: Algemene wet bestuursrecht;
    c. Chw-zaak: een zaak over een besluit dat op de Crisis- en herstelwet is gebaseerd;
    d. het college: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Het opnieuw behandelen van een zaak door een rechter. of het College van Beroep voor het bedrijfsleven,
    e. de Persoon die de rechter op de zitting ondersteunt en een verslag maakt van de zitting.: de ondersteunende juridische functionaris van het college die meewerkt aan een zaak; soms voert die een taak van het college uit namens dat college; als de griffier in deze regeling specifiek wordt genoemd, wordt alleen de griffier bedoeld en niet het college;
    f. digitale procedure: een procedure die via het daarvoor bestemde portaal verloopt (afdeling 8.1.6a van de Awb);
    g. veilig mailen: een e-mailbericht versturen via de speciaal daarvoor bedoelde voorziening op de eigen website van het college.
  2. De hieronder genoemde termen en afkortingen zijn specifiek voor het vreemdelingenrecht.
    a. Vw 2000: Vreemdelingenwet 2000;
    b. vreemdelingenzaak: een zaak waarop hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing is;
    c. AA-zaak: een vreemdelingenzaak waarin het gaat om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 Vw 2000) en waarbij een beroepstermijn van één week geldt (artikel 69, tweede lid, Vw 2000);
    d. bewaringszaak: een vreemdelingenzaak waarin aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende Een maatregel kan worden opgelegd na het begaan van een strafbaar feit. Er kunnen maatregelen worden opgelegd in plaats van een straf of naast een straf. Voorbeelden zijn: terbeschikkingstelling (tbs), plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, onttrekking van voorwerpen aan het verkeer. is opgelegd (artikelen 6, 58, 59, 59a en 59b Vw 2000).
  3. De hieronder genoemde termen zijn specifiek voor de onteigeningsprocedure in de Omgevingswet.
    a. onteigeningszaak: een zaak waarop afdeling 16.10 van de Omgevingswet van toepassing is of waarin is verzocht om een verklaring als bedoeld in artikel 11.16, tweede of derde lid, van die wet;
    b. kostenopgave: opgave van proceskosten in hoger beroep in een onteigeningszaak;
    c. griffiersverklaring: een verklaring van de griffier waaruit blijkt dat tegen de uitspraak van de Rechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. over de onteigeningsbeschikking binnen de beroepstermijn geen Het opnieuw behandelen van een zaak door een hogere rechter. is ingesteld (artikel 11.16, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet) of een verklaring van de griffier waaruit blijkt dat in de procedure tegen het besluit waarvoor de onteigening nodig is, binnen de beroepstermijn geen (hoger) beroep is ingesteld (artikel 11.16, derde lid, onder b of c, van de Omgevingswet).
  4. Met de term ‘beroep’ wordt in deze regeling ook ‘hoger beroep’ bedoeld en als wordt gesproken over beroepschrift wordt daarmee ook hogerberoepschrift bedoeld.
  5. Als in deze regeling wordt verwezen naar ‘de eigen website’, wordt daarmee www.raadvanstate.nl- U verlaat Rechtspraak.nl (voor de Afdeling bestuursrechtspraak) en www.rechtspraak.nl- U verlaat Rechtspraak.nl (voor de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven) bedoeld.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

Deze procesregeling geldt voor alle zaken die met een beroep- of Een verzoekschrift is een document waarmee u de procedure start en waarin u de rechter vraagt om iets te beslissen. Het verzoekschrift moet aan bepaalde eisen voldoen. beginnen, maar niet voor tuchtzaken bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Artikel 1.3 De mogelijkheid om af te wijken van deze regeling

  1. Het college kan er in een concreet geval voor kiezen om af te wijken van wat in deze procesregeling is geregeld.
  2. Meer specifiek geldt dat als in deze regeling is opgenomen dat het college een stuk met een aangetekende brief verzendt, het college een andere wijze van verzenden kan gebruiken als die wijze van verzenden dezelfde waarborgen kent als de aangetekende brief.
Hoofdstuk 2 De digitale procedure

In dit hoofdstuk staan de voor de digitale procedure belangrijke uitgangspunten beschreven. In dit hoofdstuk zijn ook enige zaken geregeld die nodig zijn op grond van het Besluit elektronisch procederen.

Paragraaf 2.1 Specifieke uitgangspunten voor de digitale procedure

Voor de digitale procedure gelden enige specifieke uitgangspunten. Zie voor de ‘papieren’ procedure hoofdstuk 3.

Artikel 2.1.1 Toepassingsbereik en een aanvullende regeling

  1. De artikelen over de digitale procedure in dit hoofdstuk gelden zowel voor verplicht digitaal procederen als voor vrijwillig digitaal procederen. Vrijwillig digitaal procederen kan alleen als het college dat mogelijk heeft gemaakt. Of dat zo is, is te vinden op de website van het college.
  2. Soms procedeert een deel van de partijen digitaal en een deel van de partijen op papier. In dat geval zorgt het college ervoor dat de partijen elkaars stukken ontvangen. Voor de digitaal procederende partijen hanteert het college dan de bepalingen uit dit hoofdstuk 2 en voor de op papier procederende partijen de bepalingen uit hoofdstuk 3.
  3. Voor de toegang tot en het gebruik van het digitale portaal is verder een regeling van belang: het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak- U verlaat Rechtspraak.nl, opent in een nieuw tabblad (dit reglement geldt voor de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven).

Artikel 2.1.2 Als een partij digitaal moet procederen, maar dat niet doet (artikel 8:36a van de Awb)

  1. Als een partij niet voldoet aan de verplichting om digitaal te procederen, geeft het college die partij vier weken om dat Te laat zijn met het nakomen van een verplichting, zoals het betalen van een rekening. De wet geeft regels die aangeven of iemand daadwerkelijk in verzuim is. te herstellen. Het college vermeldt daarbij dat het beroep Niet vatbaar voor berechting. De niet-ontvankelijkheid wordt bepaald door de rechter. Een zaak is niet-ontvankelijk als het niet tot een inhoudelijke behandeling komt omdat er niet is voldaan aan formele vereisten. In het strafrecht kan ook het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zijn als bijvoorbeeld de opsporing en vervolging niet fatsoenlijk zijn verlopen. wordt verklaard als het verzuim niet op tijd wordt hersteld en daar geen goede reden voor is (het verzuim niet verschoonbaar is).
  2. Bij versnelde behandeling (zie artikel 2.5.1 van deze regeling) is de hersteltermijn twee weken.

Artikel 2.1.3 Het digitale portaal bij de Afdeling bestuursrechtspraak

Advocaten kunnen in vreemdelingenzaken digitaal procederen via www.raadvanstate.nl. Als inlogmiddel accepteert de Afdeling alleen de Advocatenpas.

Artikel 2.1.4 Het digitale portaal bij de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven

Partijen kunnen bij de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven digitaal procederen op de manier die staat op mijn.rechtspraak.nl. Als inlogmiddel accepteren deze twee colleges alleen een aangewezen middel. Welke middelen dat zijn staat in het Reglement inzake de toegang tot en het gebruik van systeem DT Rechtspraak- U verlaat Rechtspraak.nl, opent in een nieuw tabblad.

Artikel 2.1.5 Uitsluiting van het digitale portaal

Het college kan een partij of haar Iemand die als vertegenwoordiger namens een partij optreedt in de procedure. tijdelijk of blijvend uitsluiten van gebruik van het digitale portaal als die een aantoonbaar gevaar vormt voor de integriteit van het digitale systeem of als die het digitale systeem verstoort.

Paragraaf 2.2 Algemene richtlijnen voor de hele procedure

In deze paragraaf staan de algemene richtlijnen die tijdens de hele procedure gelden.

Artikel 2.2.1 Verwijzen naar een algemeen toegankelijk stuk

Partijen die zich op een algemeen toegankelijk stuk beroepen hoeven dit stuk niet zelf in te dienen. Zij mogen in zo’n geval verwijzen naar de vindplaats van het stuk.

Artikel 2.2.2 Algemene reactietermijn voor verzoeken aan het college

Partijen kunnen het college vragen om een beslissing te nemen over de procedure zelf. Het college beslist in de regel binnen vier weken op zo’n verzoek. Als er een andere termijn voor een bepaalde procesbeslissing geldt, is dat in deze procesregeling vermeld.

Artikel 2.2.3 Verlenging van termijnen

  1. Partijen kunnen het college verzoeken om een door hem gestelde termijn te verlengen. Het college beslist inhoudelijk op zo’n verzoek als (1) dat verzoek gemotiveerd is en (2) dat verzoek binnen de oorspronkelijk gestelde termijn bij hem is ingediend.
  2. Het college beslist binnen één week over een verzoek om verlenging. Die beslissing deelt het college in elk geval mee aan degene die het verzoek heeft ingediend. Wijst het college het verzoek om verlenging toe, dan informeert het de andere partijen ook over die beslissing.
  3. Als het college het verzoek om verlenging afwijst, dan krijgt de Indiener van een verzoekschrift. vanaf het moment van de afwijzing nog een termijn om alsnog aan het gevraagde te voldoen. Die gelegenheid krijgt de verzoeker niet als het college in het bericht over de voorafgaande termijn al had meegedeeld dat het geen verlenging zal toestaan.

Artikel 2.3.3 De andere belanghebbenden (artikel 8:26 van de Awb)

  1. Binnen twee weken nadat het college het beroepschrift heeft ontvangen, vraagt het aan de andere belanghebbenden die bij hem bekend zijn of zij partij in de procedure willen zijn.
  2. De uitgenodigde belanghebbenden krijgen twee weken de tijd om op deze vraag van het college te reageren.
  3. Als een andere Iemand die betrokken is bij een besluit of geschil en daar (rechtstreeks) belang bij heeft. zich meldt met de vraag om partij te worden, dan beslist het college binnen twee weken over dat verzoek. Het college kan later van die beslissing terugkomen.

Paragraaf 2.4 De vereisten voor een inhoudelijke behandeling

Het college kan de zaak alleen inhoudelijk beoordelen als de appellant griffierecht heeft betaald en het duidelijk is dat de indiener van het beroep bevoegd is om beroep in te stellen. Ook moet het beroepschrift aan inhoudelijke voorwaarden voldoen. Met name moet het beroepschrift duidelijk maken waarom de appellant het niet eens is met het besluit (beroepsgronden bevatten). In deze paragraaf is beschreven hoe appellanten over deze voorwaarden worden geïnformeerd, welke uitzonderingen er gelden en wat er gebeurt als de appellant niet aan de vereisten voldoet.

Artikel 2.4.1 Het griffierecht bij de Afdeling bestuursrechtspraak (artikel 8:41 van de Awb)

  1. Binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift stuurt de Afdeling de appellant een bericht met het verzoek om binnen vier weken het De kosten die u moet betalen aan de rechtbank bij de start van uw procedure. te betalen.
  2. In Chw-zaken stuurt de Afdeling de appellant binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift een bericht met het verzoek om het griffierecht binnen drie weken te betalen.
  3. Appellanten ontvangen geen betalingsverzoek als:
    a. hun gemachtigde het beroepschrift heeft ingediend; en
    b. die gemachtigde bij de Afdeling een rekening-courant heeft; en
    c. de Afdeling het griffierecht automatisch van deze rekening-courant afschrijft.
  4. De Afdeling heft geen griffierecht als het niet bevoegd is om over de zaak te beslissen. Als de appellant toch griffierecht heeft betaald, stort het college dat bedrag terug.

Artikel 2.4.2 Het griffierecht bij de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (artikel 8:41 van de Awb)

  1. Binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift stuurt het college de appellant een brief met het verzoek om binnen vier weken het griffierecht te betalen.
  2. Als de appellant niet binnen die termijn heeft betaald en het college het eerste betalingsverzoek niet aangetekend heeft verstuurd, dan stuurt het college de appellant alsnog een aangetekende brief met het verzoek om binnen vier weken te betalen. 
  3. Appellanten ontvangen geen betalingsverzoek als:
    a. hun gemachtigde het beroepschrift heeft ingediend; en
    b. die gemachtigde bij het college een rekening-courant heeft; en 
    c. het college het griffierecht automatisch van deze rekening-courant afschrijft.
  4. Het college heft geen griffierecht als het niet bevoegd is om over de zaak te beslissen. Als de appellant toch griffierecht heeft betaald, stort het college dat bedrag terug.

Artikel 2.4.3 Beroep op betalingsonmacht om griffierecht te betalen

  1. Appellanten die vinden dat zij het griffierecht niet kunnen betalen, kunnen het college vragen of zij zonder griffierecht te betalen mogen procederen. Het college beslist alleen inhoudelijk op zo’n verzoek als de appellant dat nog voor het einde van de (laatste) betalingstermijn heeft ingediend. De griffier neemt een voorlopige beslissing op het verzoek; de rechter of rechters die op het beroep beslissen, beslissen definitief op het verzoek. 
  2. Het college neemt gegevens die de appellant aan hem verstrekt om de betalingsonmacht te bewijzen niet op in het deel van het dossier waarvan ook andere partijen kennis kunnen nemen.
  3. Bij de Afdeling bestuursrechtspraak is het nodig dat appellanten stukken om de betalingsonmacht te bewijzen op papier in een aparte, dichte envelop indienen. Dit geldt voor de stukken die zij uit zichzelf willen indienen en voor de stukken die zij op verzoek van de Afdeling indienen. Op de envelop moet dan bijvoorbeeld ‘onderbouwing betalingsonmacht’ staan.

Artikel 2.4.4 Aannemelijk maken van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 6:4, 6:5 en 8:24 van de Awb)

Het is mogelijk om beroep in te stellen namens iemand anders. Het college kan de indiener van het beroepschrift, als die geen Raadsman of raadsvrouw in juridische aangelegenheden. Een advocaat is lid van de Nederlandse Orde van Advocaten. is, vragen om een machtiging of ander bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid. De gemachtigde of vertegenwoordiger krijgt dan vier weken de tijd om dat bewijs bij het college in te dienen.


Artikel 2.4.5 Vereisten voor het instellen van beroep (artikel 6:5 en 6:6 van de Awb)

  1. Als appellanten niet hebben voldaan aan de vereisten voor het instellen van beroep, geeft het college hun vier weken om het verzuim te herstellen. Het college vermeldt daarbij dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als het verzuim niet op tijd wordt hersteld en de appellant daar geen goede reden voor heeft (het verzuim niet verschoonbaar is).
  2. Bij versnelde behandeling (zie artikel 2.5.1 van deze regeling) geldt een kortere hersteltermijn. Appellanten krijgen bij versnelde behandeling in de regel twee weken de tijd om het verzuim te herstellen. Bij Chw-zaken die versneld worden behandeld is de hersteltermijn drie weken.
  3. De voorgaande leden zijn niet van toepassing als de mogelijkheid om het verzuim te herstellen wettelijk is uitgesloten.

Artikel 2.4.6 Gevolgen als niet aan de vereisten voor het instellen van beroep is voldaan

Het college kan het beroep niet-ontvankelijk verklaren als niet is voldaan aan de vereisten in deze paragraaf en er daarmee sprake is van een verzuim. Het college verklaart het beroep alleen niet-ontvankelijk als:
a. het college de appellant in het bericht met de uitnodiging om het verzuim te herstellen heeft meegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld en er geen goede reden is voor het verzuim (het verzuim niet verschoonbaar is); en
b. het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld.

Paragraaf 2.5 Het vooronderzoek

Voordat het college de zaak op een zitting behandelt, leveren de partijen al informatie aan voor het vooronderzoek. In deze fase kunnen zij het college verzoeken om het beroep versneld te behandelen. Ook vinden in deze fase soms deskundigenonderzoeken plaats. Daarnaast kunnen partijen verzoeken alleen de rechter bepaalde stukken te laten inzien. Ook kunnen zij verzoeken dat alleen een arts, een advocaat of een andere specifieke beroepsbeoefenaar bepaalde stukken bekijkt. 

Artikel 2.5.1 Versnelde behandeling (artikel 8:52 van de Awb) 

  1. Partijen kunnen het college verzoeken om het beroep versneld te behandelen. Zij moeten dat verzoek om versnelde behandeling motiveren. Als het college een gemotiveerd verzoek om versnelde behandeling ontvangt, beslist het er binnen twee weken over. 

  2. Als het college het verzoek om versnelde behandeling toewijst, informeert het alle partijen over het verdere verloop van de procedure.

Artikel 2.5.2 Toezending van stukken en vragen om verweerschrift (artikel 8:42 en 8:43, tweede lid, van de Awb)

  1. Nadat de appellant de gronden van het beroep heeft ingediend, stuurt het college de andere partijen zo snel mogelijk een bericht daarover. Het college kan daarbij om een Een document met daarin een reactie op een verzoekschrift. Het verweerschrift moet aan bepaalde eisen voldoen. vragen.

  2. Als het college in hoger beroep partijen vraagt om De verdediging tegen vorderingen van de eiser of tegen de verzoeken van de verzoeker in een gerechtelijke procedure., wijst het partijen er in hetzelfde bericht op dat zij incidenteel hoger beroep kunnen instellen (zie artikel 4.1.1 van deze regeling).

  3. Het college stuurt geen bericht over het beroepschrift en de gronden als direct al blijkt dat het college (nog) niet bevoegd is om als bestuursrechter over de zaak te oordelen.

  4. Als partijen stukken indienen, stuurt het college binnen twee weken de andere partijen een bericht daarover.

Artikel 2.5.3 Stukken en voorwerpen die niet digitaal worden ingediend (artikel 8:36a, zesde lid, van de Awb)

  1. Het college vermeldt het in het digitale dossier als partijen originele stukken of voorwerpen indienen die niet digitaal verwerkt kunnen worden. 

  2. Als partijen het college verzoeken dat alleen het college kennisneemt van bepaalde stukken (artikel 8:29 van de Awb), dan blijven die stukken buiten het digitale dossier. Het college maakt het dan mogelijk dat partijen stukken op een andere manier indienen. Zie daarvoor artikel 2.5.4 van deze regeling. Het college correspondeert met partijen wel via het digitale dossier over het verzoek zelf. Voor dat laatste geldt een uitzondering, namelijk als de verzoeker het college ook verzoekt dat alleen het college kennis neemt van het verzoek zelf. 

  3. Soms zijn de stukken bedoeld in het tweede lid zeer omvangrijk. In zo’n geval kan het college meedelen dat het alleen op het verzoek beslist als die stukken op een digitale gegevensdrager, zoals een USB-stick of SSD-schijf, worden ingediend.

Artikel 2.5.4 Verzoek dat alleen het college kennisneemt van bepaalde stukken (artikel 8:29 van de Awb)

  1. Als een partij wil dat alleen het college kennisneemt van bepaalde stukken, is het belangrijk dat zij het college dat zo duidelijk mogelijk laat weten. Die partij dient dan een verzoek in waarin zij aangeeft om welke stukken het gaat en motiveert waarom het van belang is dat alleen het college van die stukken kennisneemt. Om de geheimhouding te waarborgen is het nodig dat zij die stukken op papier in een aparte, dichte envelop indient, waarop bijvoorbeeld ‘8:29 van de Awb’ of ‘geheim’ staat. Als het gaat om omvangrijke stukken, kan het college toestaan dat de stukken op een digitale gegevensdrager, zoals een USB-stick of SSD-schijf, worden ingeleverd. Het college neemt die stukken dan niet op in het deel van het dossier waarvan ook andere partijen kennis kunnen nemen.

  2. De partij die verzoekt dat alleen het college kennisneemt van bepaalde stukken, kan daarbij ook verzoeken dat alleen het college kennisneemt van het verzoek zelf. Dan doet zij het verzoek ook op papier in de aparte, dichte envelop waarin de stukken zelf zitten. Als niet is verzocht dat alleen het college kennisneemt van het verzoek, plaatst het college het verzoek in het dossier. 

  3. Als het gaat om stukken die de partij niet hoeft in te dienen, dan neemt het college het verzoek in de regel niet in behandeling en stuurt het die stukken terug.

  4. Als het college een verzoek heeft ontvangen dat alleen het college van bepaalde stukken kennisneemt, stelt het college in de regel de andere partijen in de gelegenheid om binnen twee weken op dat verzoek te reageren. 

  5. Als het beroep juist draait om de vraag of een Een bestuursorgaan is een organisatie die een overheidstaak uitvoert. bepaalde stukken openbaar moet maken of inzage moet verlenen in bepaalde stukken op grond van een specifieke wettelijke regeling, gaat het college er zonder verder onderzoek van uit dat alleen het college zelf kennisneemt van de stukken. 

  6. Het college beslist in de regel binnen zes weken nadat het verzoek is ingediend of er goede redenen zijn dat alleen het college kennisneemt van de stukken. 

  7. Het college informeert de partijen over deze beslissing. De beslissing bevat de namen van de partijen en hun gemachtigden, de gronden van de beslissing, de beslissing zelf en de namen van de rechter of rechters die de beslissing hebben genomen. 

  8. Heeft het college beslist dat er goede redenen zijn dat alleen het college kennisneemt van de stukken, dan verzoekt het college de andere partijen om toestemming. Dat verzoek houdt in dat partijen binnen twee weken laten weten of zij ermee akkoord gaan dat alleen het college kennisneemt van de stukken en de inhoud van die stukken meeweegt bij zijn beslissing. 

  9. Heeft het college beslist dat er geen goede redenen zijn dat alleen het college kennisneemt van de stukken, dan stuurt het de stukken binnen twee weken terug aan de verzoeker. Het college verzoekt die partij dan om de stukken alsnog in te dienen als normaal processtuk. Dan wijst het college die partij erop dat als zij dat niet alsnog doet, de rechter daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die hij passend vindt. 

  10. Na afloop van de hele procedure stuurt het college de stukken waar alleen het college kennis van mocht nemen terug. Dat doet het college binnen twee weken nadat het de uitspraak heeft gedaan.

Artikel 2.5.5 Verzoek dat alleen een arts, advocaat of andere specifieke beroepsbeoefenaar kennisneemt van bepaalde stukken (artikel 8:32 van de Awb) 

  1. Als een partij wil dat alleen een arts, een advocaat of een andere specifieke beroepsbeoefenaar kennisneemt van bepaalde stukken, is het belangrijk dat zij het college dat zo duidelijk mogelijk laat weten. Die partij dient dan een verzoek in waarin zij aangeeft om welke stukken het gaat en motiveert waarom het van belang is dat alleen die bewuste persoon van die stukken kennisneemt. Om de geheimhouding te waarborgen is het nodig dat zij die stukken indient en daarbij bijvoorbeeld ‘8:32 van de Awb’ of ‘geheim’ vermeldt. Het college neemt die stukken dan niet op in het deel van het dossier waarvan ook andere partijen kennis kunnen nemen. Het college plaatst het verzoek wel in het dossier. 

  2. Het college beslist binnen twee weken over het verzoek alleen specifieke beroepsbeoefenaren kennis te laten nemen van bepaalde stukken. 

  3. Bij bepaalde zaken beslist de Centrale Raad van Beroep altijd (ambtshalve) of artikel 8:32 van de Awb moet worden toegepast, los van de vraag of er een verzoek is ingediend of niet. Het gaat om zaken waarin wordt getoetst aan de volgende wetsartikelen:

    • artikel 88 en verder van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

    • artikel 103 en verder van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

    • artikel 75b van de Ziektewet en artikel 129c van de Werkloosheidswet. 

  4. Als het derde lid van toepassing is, is het nodig dat de partij die de medische stukken indient daarbij bijvoorbeeld ‘8:32 van de Awb’ of ‘geheim’ vermeldt. Het college neemt die stukken dan niet op in het deel van het dossier waarvan ook andere partijen kennis kunnen nemen.

Artikel 2.5.6 Deskundigenonderzoek (artikel 8:47 en 8:48 van de Awb)

  1. Als het college partijen vraagt wat hun wensen zijn voor een deskundigenonderzoek, krijgen partijen twee weken de tijd om die wensen naar voren te brengen.

  2. De deskundige krijgt tussen de vier en dertien weken de tijd om een verslag van het onderzoek uit te brengen. Het college deelt die termijn aan de partijen mee. Als de deskundige het college meedeelt dat die termijn niet haalbaar is, stelt het college in overleg met de deskundige zo nodig een nieuwe termijn. Het college deelt die nieuwe termijn aan partijen mee.

  3. Het college stelt het deskundigenverslag binnen twee weken na de ontvangst beschikbaar aan de partijen of de arts, advocaat of andere specifieke beroepsbeoefenaar die van dat verslag kennis mag nemen (artikel 8:32 van de Awb; zie ook artikel 2.5.5 van deze regeling). 

  4. De partijen hebben vier weken de tijd om een zienswijze in te dienen over het verslag. Als zij meer tijd nodig hebben, kunnen zij een gemotiveerd verzoek indienen voor verlenging van die termijn. Het college kan de wettelijke termijn dan één keer verlengen. Het college stelt dan een termijn.

  5. Binnen twee weken nadat het college de zienswijzen heeft ontvangen, kan het deze voor commentaar voorleggen aan de deskundige. De deskundige krijgt dan tussen de twee en vier weken de tijd om te reageren.

Paragraaf 2.6 Rondom de zitting (artikel 8:59 tot en met 8:63 van de Awb)


In deze paragraaf is beschreven hoe de partijen worden uitgenodigd voor de zitting, hoe zij op de hoogte worden gebracht van bijzonderheden over de zitting, en hoe zij kunnen vragen om uitstel van de zitting. Verder staat in deze paragraaf tot wanneer de partijen stukken kunnen indienen en binnen welke termijn het college uitspraak doet.

Artikel 2.6.1 Voorafgaand aan de zitting 

  1. In de uitnodiging of Dwingend verzoek om voor de rechter te komen als partij of getuige. om op de zitting te verschijnen vermeldt het college hoeveel tijd er voor de zitting is uitgetrokken. Ook vermeldt het college welke rechter of rechters de zaak behandelen of waar en wanneer de partijen die informatie kunnen vinden (meestal op de website van het college).    

  2. Soms kondigt het college al voor het versturen van de uitnodigingen aan partijen aan wanneer de zitting is gepland. Als partijen dan binnen een week na die aankondiging om een andere zittingsdatum verzoeken, wijst het college dat verzoek toe als:

    • verzoeker een goede reden voor uitstel noemt; en

    • het verzoek de verhinderdata bevat binnen de periode die het college in die aankondiging noemt. 

  3. Als het college meer zaken op hetzelfde tijdstip behandelt, vermeldt het college dit in de uitnodiging of oproeping. Dat kan gaan om Het samenvoegen van verschillende strafbare feiten tot één strafzaak of (in het civiele recht) het samenvoegen van twee procedures die tussen dezelfde personen lopen en hetzelfde onderwerp betreffen, dan wel verbonden zijn met elkaar. van zaken (artikel 8:14 van de Awb), waarbij partijen kennisnemen van alle stukken in de dossiers. Het kan ook gaan om gezamenlijke behandeling op de zitting zonder voeging. 

  4. In afwijking van het eerste en derde lid kan het college de in die leden genoemde informatie ook vermelden op zijn website op een manier die gemakkelijk vindbaar is voor partijen.

  5. Nadat de partijen de uitnodiging of oproeping hebben ontvangen kunnen zij om een andere zittingsdatum vragen. Het college beslist alleen inhoudelijk over zo’n verzoek als het gemotiveerd is en zo snel mogelijk is ingediend, namelijk direct nadat de uitnodiging of oproeping is ontvangen of direct nadat duidelijk is geworden dat de verzoeker verhinderd is op de geplande zittingsdatum. 

  6. Soms verzoeken partijen pas om uitstel nadat zij de uitnodiging of oproeping hebben ontvangen (eerste lid), terwijl die datum eerder al door het college was aangekondigd (tweede lid). In dat geval wijst het college het verzoek af, tenzij er zwaarwegende redenen voor uitstel zijn. 

  7. Het college komt zoveel mogelijk tegemoet aan een verzoek om uitstel als de zittingsdatum niet eerst is aangekondigd en niet telefonisch met partijen is afgestemd, of als de zittingsdatum in de uitnodiging of oproeping (eerste lid) afwijkt van de datum in de aankondiging (tweede lid). Het college wijst een verzoek dat voldoet aan de voorwaarden in het vijfde lid af als het college oordeelt dat zwaarwegende belangen die bij de behandeling van de zaak betrokken zijn aan dat uitstel in de weg staan. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met een voor de rechter geldende beslistermijn of het belang dat andere partijen erbij hebben dat de procedure geen vertraging oploopt.

  8. Het college deelt partijen de beslissing op het verzoek zo spoedig mogelijk mee.

Artikel 2.6.2 Zitting waaraan een deel van de partijen of alle partijen via een videoverbinding deelnemen

  1. De zitting vindt in de regel fysiek plaats.

  2. Het college kan toestaan dat een partij op haar verzoek via een videoverbinding of telefonisch deelneemt aan de zitting en dus niet fysiek aanwezig is. In dat geval informeert het college andere partijen daarover. 

  3. Het college kan bepalen dat partijen via een videoverbinding aan de zitting kunnen deelnemen. Dat houdt in dat het college gebruikmaakt van een beeld- en geluidverbinding. Dat staat dan in de uitnodiging of oproeping, of het college stuurt de partijen daar uiterlijk tien dagen voor de zitting een apart bericht over. Als partijen binnen een week na deze mededeling verzoeken om fysiek of telefonisch aan de zitting deel te nemen, komt het college zoveel mogelijk tegemoet aan dat verzoek. 

Artikel 2.6.3 Te laat ingediende stukken (artikel 8:58 van de Awb)

  1. Als het college na de elfde dag voor de zitting nog stukken van partijen ontvangt, beslist het college of het die stukken nog bij de behandeling van de zaak betrekt of niet.
  2. Ook als een partij stukken eerder indient, kan het college beslissen dat het die stukken niet bij de behandeling van de zaak betrekt, omdat die in strijd met de goede procesorde te laat zijn ingediend.

Artikel 2.6.4 Uitspraaktermijn (artikel 8:66 van de Awb)

Het college stuurt partijen een bericht als het niet binnen de meegedeelde termijn uitspraak doet. In dat bericht staat ook binnen welke termijn het college uitspraak doet.

Hoofdstuk 3 De procedure op papier

Dit hoofdstuk beschrijft de uitgangspunten voor de ‘papieren’ procedure. In een papieren procedure kan soms ook digitale informatie worden ingediend, bijvoorbeeld via de voorziening voor veilig mailen, maar niet via het digitale portaal van het college.

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

  1. In principe geldt alles in paragrafen 2.2 tot en met 2.6 van hoofdstuk 2 ook voor de papieren procedure. Als dat niet zo is, staat dat hieronder vermeld.
  2. Soms procedeert een deel van de partijen digitaal en een deel van de partijen op papier. In dat geval zorgt het college ervoor dat de partijen elkaars stukken ontvangen. Voor de digitaal procederende partijen hanteert het college dan de bepalingen uit hoofdstuk 2 en voor de op papier procederende partijen de bepalingen uit dit hoofdstuk 3.

Artikel 3.2 Veilig mailen

  1. Als een partij een stuk indient met een e-mailbericht en dus niet via het portaal voor digitaal procederen, neemt het college dat stuk in behandeling als die partij: (1) gebruik heeft gemaakt van de voorziening voor veilig mailen van het college en (2) zich ook heeft gehouden aan de vereisten die op de website van het college staan. Het college kan van die partij vereisen dat zij het stuk daarna ook op papier toestuurt. 
  2. Als het college het stuk niet in behandeling neemt omdat niet is voldaan aan deze vereisten, stelt het de indiener via een e-mailbericht daarvan op de hoogte.
  3. In de situaties waarin een college het in de digitale procedure van hoofdstuk 2 nodig vindt dat bepaalde stukken op papier worden ingediend, kunnen die stukken in de procedure op papier van hoofdstuk 3 niet via veilig mailen worden ingediend. Dat gaat in de eerste plaats om de situatie dat een partij wil dat alleen het college kennisneemt van bepaalde stukken (artikel 8:29 van de Awb). Zie daarvoor artikel 2.5.4 van deze procesregeling. Dat gaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak in de tweede plaats om de situatie dat een appellant vindt dat hij het griffierecht niet kan betalen. Zie daarvoor artikel 2.4.3 van deze procesregeling.
  4. Om te bepalen op welk moment een stuk is ingediend, gaat het college uit van het tijdstip waarop het e-mailbericht is geregistreerd als ‘ontvangen’ in de voorziening voor veilig mailen van dat college. De indiener van een stuk kan in de voorziening voor veilig mailen vragen om een ontvangstbevestiging. 
  5. Het college stuurt zelf stukken op papier. In reactie op een stuk dat met veilig mailen is ingediend, kan het college zelf ook een stuk met een e-mailbericht versturen. Als een partij zelf gebruik heeft gemaakt van de voorziening voor veilig mailen van het college, gaat het college ervan uit dat die partij ermee instemt dat het college e-mailberichten stuurt naar het e-mailadres dat die partij daarvoor heeft gebruikt.

Artikel 3.3 Het griffierecht (artikel 8:41 van de Awb)

  1. Binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift stuurt het college de appellant een brief met het verzoek om binnen vier weken het griffierecht te betalen.
  2. Als de appellant niet binnen die termijn heeft betaald en het college het eerste betalingsverzoek niet aangetekend heeft verstuurd, dan stuurt het college de appellant alsnog een aangetekende brief met het verzoek om binnen vier weken te betalen.

Artikel 3.4 Gevolgen als niet aan de vereisten voor het instellen van beroep is voldaan

Het college kan het beroep niet-ontvankelijk verklaren als niet is voldaan aan de vereisten in paragraaf 2.4 van deze regeling en er daarmee sprake is van een verzuim. Het college verklaart het beroep alleen niet-ontvankelijk als:
a. het college de uitnodiging om het verzuim te herstellen met een aangetekende brief aan de appellant heeft verstuurd; en
b. het college de appellant in die uitnodiging heeft meegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld en er geen goede reden is voor het verzuim (het verzuim niet verschoonbaar is); en
c. het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld.

Artikel 3.5 Toezending van stukken

Als partijen stukken indienen, stuurt het college deze binnen twee weken na de ontvangst door aan de andere partijen. Het college kan ervoor kiezen stukken waarvan de partijen eerder kennis hebben kunnen nemen niet toe te sturen. Dat kan alleen als partijen door die keuze niet in hun belangen worden geschaad.

Hoofdstuk 4 Mogelijke aanvullingen op een procedure

Soms worden in een procedure extra stappen genomen. In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten voor drie van dergelijke extra stappen beschreven: als de andere partij als reactie op het hoger beroep (principaal hoger beroep) een eigen hoger beroep instelt (incidenteel hoger beroep), als anderen dan partijen worden uitgenodigd om opmerkingen te maken, en als het college het Hof van Justitie van de EU vraagt om uitleg van delen van het Unierecht.


Paragraaf 4.1    Incidenteel hoger beroep (artikel 8:110 tot en met 8:112 van de Awb)


Als reactie op het hoger beroep (principaal hoger beroep) kan de andere partij ook hoger beroep instellen (incidenteel hoger beroep). Daarover gaat deze paragraaf.

Artikel 4.1.1 

  1. Nadat het college de gronden van het principaal hoger beroep heeft ontvangen, stuurt het college andere partijen een bericht of een brief dat zij incidenteel hoger beroep kunnen instellen. Dat doet het college in hetzelfde bericht of dezelfde brief als waarin het die partijen vraagt om een verweer op het principaal hoger beroep. De termijn is in beide gevallen zes weken.

  2. Als een partij verzoekt om uitstel om een reactie op het principaal hoger beroep te geven, merkt het college dat ook aan als een verzoek om uitstel om incidenteel hoger beroep in te stellen. Als dat verzoek wordt toegewezen, geldt het uitstel voor beide. 

Artikel 4.1.2


Het college verzoekt de partijen het incidenteel hoger beroep in een apart processtuk in te dienen. Het is dus niet de bedoeling dat zij hun incidenteel hoger beroep verwerken in de reactie op het principaal hoger beroep.

Paragraaf 4.2 Opmerkingen door anderen dan partijen (amicus curiae, artikel 8:12b van de Awb)

Het college kan anderen dan de partijen in de gelegenheid stellen om opmerkingen te maken. In deze paragraaf is beschreven welke procedure het college dan volgt.

Artikel 4.2.1 Voornemen en mededeling daarvan aan partijen

  1. Als het college van plan is om anderen dan de partijen in de gelegenheid te stellen om opmerkingen te maken, informeert het de partijen daar eerst over. Het college vermeldt daarbij in elk geval welke vragen het aan die anderen wil stellen en welke informatie nodig is om die vragen te beantwoorden.
  2. Als het college specifieke personen of organisaties wil uitnodigen om opmerkingen te maken, laat het de partijen weten om wie het gaat.
  3. Als de partijen mogen reageren op het voornemen van het college, krijgen zij daarvoor een termijn van twee weken.

Artikel 4.2.2 Aankondiging

  1. Als het college anderen dan partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken, kondigt het dit op passende wijze aan. Een van de manieren is dat het college de aankondiging op de eigen website plaatst.
  2. Het college publiceert de aankondiging nadat de termijn in artikel 4.2.1, derde lid, is afgelopen, of nadat het zijn voornemen met partijen heeft besproken (artikel 8:44 van de Awb).
  3. In de aankondiging staat in elk geval welke vragen het college aan welke anderen stelt en welke informatie nodig is om die vragen te beantwoorden.

Artikel 4.2.3 Ontvangst van de opmerkingen van anderen dan partijen

  1. Als het college beslist dat anderen dan partijen in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken, kan het daarvoor een formulier gebruiken. Het college plaatst dat formulier dan op de eigen website.
  2. Het college kan eisen stellen aan de personen en organisaties die opmerkingen kunnen indienen en aan de vorm, inhoud en omvang van die opmerkingen.
  3. Het college laat anoniem gemaakte opmerkingen buiten beschouwing.
  4. Het college betrekt in zijn beoordeling van de zaak alleen opmerkingen die zijn ingediend binnen vier weken na de aankondiging.
  5. Na het einde van de termijn in het vierde lid publiceert het college de opmerkingen op de eigen website.

Artikel 4.2.4 Sturen van ontvangen opmerkingen aan partijen

Na de termijn in artikel 4.2.3, vierde lid, stuurt het college de ontvangen opmerkingen zo snel mogelijk door aan partijen.

Artikel 4.2.5 Uitzondering

De Afdeling bestuursrechtspraak past deze paragraaf niet toe als zij zaken behandelt waarin aan haar een prejudiciële vraag is gesteld (hoofdstuk 7 van de Tijdelijke wet Groningen).

Paragraaf 4.3 Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU

Soms wil het college eerst vragen voorleggen aan het Hof van Justitie van de EU voordat het een beslissing neemt. Daarover gaat deze paragraaf.

Artikel 4.3.1 Prejudiciële vragen

  1. Als het college prejudiciële vragen wil stellen aan het Hof van Justitie van de EU, stelt het partijen eerst in de gelegenheid te reageren op de concept-vragen. De reactietermijn daarvoor is vier weken.
  2. Als het college de antwoorden op de prejudiciële vragen van het Hof van Justitie heeft ontvangen, stelt het partijen in de gelegenheid op die antwoorden te reageren. De reactietermijn daarvoor is vier weken. In het bericht of de brief waarin het college de partijen uitnodigt om te reageren op de antwoorden, vraagt het college ook of de partijen een tweede zitting wensen.
Hoofdstuk 5 Procedures waarvoor uitzonderingen gelden

De procedure voor vreemdelingenzaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak wijkt op een aantal punten af van wat in deze procesregeling is beschreven. Daarnaast gelden specifieke uitgangspunten voor verzoeken om schadevergoeding, beroepen tegen niet tijdig beslissen, verzetszaken en voorlopige voorzieningen. De punten waarop deze procedures afwijken van de rest van deze regeling zijn in dit hoofdstuk beschreven. Van belang zijn ook wettelijke uitzonderingen.

Paragraaf 5.1 Vreemdelingenzaken bij de Afdeling      bestuursrechtspraak

In deze paragraaf zijn de specifieke uitgangspunten voor vreemdelingenzaken opgenomen. Meestal gelden de uitgangspunten die steeds voor het hoger beroep gelden, dus in deze paragraaf zijn vooral de uitzonderingen opgenomen. Hoofdstuk 7 van de Vw 2000 maakt ook bepaalde uitzonderingen.

 

Artikel 5.1.1 Verhouding tot de rest van deze procesregeling

Op een vreemdelingenzaak zijn hoofdstukken 2 en 3 van deze procesregeling van toepassing, tenzij daarop in deze paragraaf een uitzondering is gemaakt.

Artikel 5.1.2 Vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 6:4, 6:5 en 8:24 van de Awb en artikel 70 van de Vw 2000)

Als een referent of een wettelijke vertegenwoordiger beroep instelt, wordt in afwijking van artikel 2.4.4 van deze procesregeling geen machtiging gevraagd, maar wordt aangenomen dat die op eigen naam beroep instelt.

Artikel 5.1.3 Het griffierecht (artikel 8:41 van de Awb, artikel 86, eerste lid, van de Vw 2000)

  1. De Afdeling bestuursrechtspraak stuurt de appellant in een vreemdelingenzaak waarin griffierecht moet worden betaald een bericht (in een digitale procedure) of een aangetekende brief (in een procedure op papier) met het verzoek om binnen twee weken het griffierecht te betalen.
  2. 2.           Appellanten ontvangen geen betalingsverzoek als:
  3. a. hun gemachtigde het beroepschrift heeft ingediend; en
  4. b. die gemachtigde bij de Afdeling een rekening-courant heeft; en
  5. c. de Afdeling het griffierecht automatisch van deze rekening-courant afschrijft.

Artikel 5.1.4 Herstel van verzuim (artikel 6:5 en 6:6 van de Awb, artikel 85, derde lid, van de Vw 2000)

Als een verzuim hersteld kan worden, stelt de Afdeling daarvoor een termijn van twee weken.

Artikel 5.1.5 Toezending stukken bij beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak (artikel 43 en 45, vierde lid, van de Vw 2000 samen met artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak)

Voor vreemdelingenzaken waarin alleen rechtstreeks bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld (zaken in eerste en enige De rechterlijke instantie waar de behandeling van een zaak plaatsvindt. De rechtbank is de eerste aanleg, het gerechtshof de tweede aanleg oftewel de hoger-beroepsinstantie (of de Centrale Raad van Beroep, College van Beroep voor het bedrijfsleven of de Afdeling bestuur van de Raad van State).) geldt het volgende. Het bestuursorgaan krijgt in dergelijke zaken een termijn van twee weken om alle stukken aan de Afdeling te sturen. De Afdeling kan daarbij ook verzoeken om een verweerschrift.

Artikel 5.1.6 Toezending stukken bij hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak (alle andere zaken)

De Afdeling stelt in vreemdelingenzaken in hoger beroep een termijn die net zo lang duurt als de hogerberoepstermijn aan de andere partij om een reactie in te dienen. In AA-zaken en bewaringszaken is de reactietermijn een week.

Artikel 5.1.7 Rondom de zitting

  1. De Afdeling stuurt de uitnodiging of oproeping voor de zitting uiterlijk twee weken voor de zitting. Daaraan voorafgaand informeert zij telefonisch of per e-mail bij partijen welke zittingsdatum mogelijk is.
  2. In bewaringszaken geldt een andere termijn dan in het eerste lid staat. In dat geval stuurt de Afdeling de uitnodiging of oproeping uiterlijk twee werkdagen voor de dag van de zitting.
  3. In hogerberoepszaken stuurt de Afdeling de vragen of bespreekpunten die zij tijdens de zitting wil behandelen zo veel mogelijk voorafgaand aan de zitting al aan de partijen.
  4. De Afdeling kan bepalen dat partijen via een videoverbinding aan de zitting kunnen deelnemen. Dat houdt in dat de Afdeling gebruikmaakt van een beeld- en geluidverbinding. Dat staat dan in de uitnodiging of oproeping. Als partijen verzoeken om fysiek of telefonisch aan de zitting deel te nemen, komt de Afdeling zoveel mogelijk tegemoet aan dat verzoek.

Artikel 5.1.8 Bewaring (artikel 83c, vierde lid, van de Vw 2000)

Als in een bewaringszaak om verweer wordt gevraagd, wordt in afwijking van artikel 2.5.2, tweede lid, van deze procesregeling niet gevraagd om incidenteel hoger beroep.

Paragraaf 5.2 Onteigeningszaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak

In deze paragraaf zijn de specifieke uitgangspunten voor onteigeningszaken opgenomen. Dat gaat om twee dingen. In de eerste plaats gaat het om hoger beroepen tegen een uitspraak van de rechtbank over een onteigeningsbeschikking. In de tweede plaats gaat het om verzoeken aan de griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak om een verklaring te geven of (hoger) beroep is ingesteld in zaken waarin onteigening een rol speelt.

Paragraaf 5.2.1 Onteigeningszaken (afdeling 16.10 van de Omgevingswet)

Artikel 5.2.1.1 Partijen

De Afdeling bestuursrechtspraak beschouwt de volgende personen of organisaties in elk geval als partij in de onteigeningsprocedure:
a. de appellant;
b. de In civiel of bestuursrecht: de tegenpartij van de verzoeker of eiser.;
c. de derde-partij die de rechtbank heeft toegelaten tot de procedure.

De Afdeling doet dit voor elk hoger beroep apart en dus niet voor alle hoger beroepen over een te onteigenen onroerende zaak tezamen.

Artikel 5.2.1.2 Rondom de zitting
  1. De Afdeling behandelt hoger beroepen tegen bekrachtigingsuitspraken van de rechtbank over hetzelfde onderliggende onteigeningsbesluit zoveel mogelijk op één zitting.
  2. De Afdeling kan bepalen dat partijen via een videoverbinding aan de zitting kunnen deelnemen. Dat houdt in dat de Afdeling gebruikmaakt van een beeld- en geluidverbinding. Dat staat dan in de uitnodiging of oproeping, of de partijen krijgen daar uiterlijk tien dagen voor de zitting een apart bericht of aparte brief over. Als partijen binnen een week na deze mededeling verzoeken om fysiek of telefonisch aan de zitting deel te nemen, komt de Afdeling zoveel mogelijk tegemoet aan dat verzoek.
Artikel 5.2.1.3 Kosten die gemaakt worden om de procedure te kunnen voeren, zoals bijvoorbeeld de kosten van juridische bijstand en reis- en verblijfskosten.
  1. Een partij die aanspraak maakt op een veroordeling van het bestuursorgaan in de proceskosten (artikel 16.120 van de Omgevingswet), kan de Afdeling daarom verzoeken door middel van een kostenopgave. Zij zendt die kostenopgave gelijktijdig aan het bestuursorgaan.
  2. De kostenopgave is:
    a. deugdelijk en inzichtelijk gespecificeerd en gemotiveerd;
    b. voorzien van een overzicht van bestede uren, gehanteerde uurtarieven, in rekening gebrachte kosten, verschotten en eventueel niet-verrekenbare BTW;
    c. voorzien van een gespecificeerde en gemotiveerde opgave van nog te verwachten kosten tot en met de zitting;
    d. uiterlijk drie weken voor de zitting ingediend bij de Afdeling.
  3. Het bestuursorgaan kan een reactie op de kostenopgave geven. Het zendt die reactie gelijktijdig aan de partij die de kostenopgave heeft ingediend. De Afdeling betrekt zo’n reactie bij haar oordeel als die uiterlijk tien dagen voor de zitting is ingediend bij de Afdeling.

 

Paragraaf 5.2.2    De griffiersverklaring (artikel 11.16, tweede lid, onder b, en derde lid, onder b en c, van de Omgevingswet)


Artikel 5.2.2.1        Vereisten voor het indienen van een verzoek 
  1. Om een goede verwerking van een verzoek om een griffiersverklaring te waarborgen, is het nodig dat de verzoeker op het verzoek duidelijk zichtbaar het kenmerk ’griffiersverklaring onteigening‘ vermeldt. Bij dat kenmerk vermeldt hij ook het artikel uit de Omgevingswet waarom het gaat: 
    a. artikel 11.16, tweede lid, onder b (een verklaring van de griffier waaruit blijkt dat tegen de uitspraak van de rechtbank over de onteigeningsbeschikking binnen de beroepstermijn geen hoger beroep is ingesteld); 
    b. artikel 11.16, derde lid, onder b; (een verklaring van de griffier waaruit blijkt dat in de procedure tegen het besluit waarvoor de onteigening nodig is, binnen de beroepstermijn geen beroep is ingesteld) of 
    c. artikel 11.16, derde lid, onder c (een verklaring van de griffier waaruit blijkt dat in de procedure tegen het besluit waarvoor de onteigening nodig is, binnen de beroepstermijn geen hoger beroep is ingesteld). 

  2. Voor een goede verwerking is verder nodig dat de verzoeker om een griffiersverklaring als bedoeld in het eerste lid onder a (geen hoger beroep over de onteigeningsbeschikking) de volgende bijlagen bij zijn verzoek voegt:
    a. de uitspraak van de rechtbank; 
    b. de onteigeningsbeschikking waarover de uitspraak van de rechtbank gaat; 
    c. de namen en postadressen van de (overige) partijen bij de uitspraak van de rechtbank;
    d. de stukken waaruit blijkt dat de uitspraak van de rechtbank is toegezonden aan de belanghebbenden (artikel 16.115, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet); 
    e. de kennisgeving(en) volgens artikel 12 van de Bekendmakingswet (artikel 16.115, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet).

  3. Voor een goede verwerking is verder nodig dat de verzoeker om een griffiersverklaring als bedoeld in het eerste lid onder b (geen beroep over het besluit waarvoor onteigening nodig is) de volgende bijlagen bij zijn verzoek voegt: 
    a. het besluit waarvoor de onteigening nodig is;
    b. de namen en postadressen van de indieners van zienswijzen tegen en eventueel bekende belanghebbenden bij dat besluit; 
    c. de stukken waaruit blijkt dat dat besluit is bekendgemaakt volgens afdeling 3.6 van de Awb.

  4. Voor een goede verwerking is verder nodig dat de verzoeker om een griffiersverklaring als bedoeld in het eerste lid onder c (geen hoger beroep over het besluit waarvoor onteigening nodig is) de volgende bijlagen bij zijn verzoek voegt:
    a. het besluit waarvoor de onteigening nodig is;
    b. de uitspraak van de rechtbank over dat besluit;
    c. de namen en postadressen van de (overige) partijen bij de uitspraak van de rechtbank;
    d. het bericht of de brief waarmee de griffier van de rechtbank de uitspraak aan partijen heeft toegezonden. 

  5. Artikel 2.4.5, eerste lid, van deze regeling over de mogelijkheid om gebreken te herstellen geldt ook voor een verzoek om een griffiersverklaring. De termijn om het gebrek te herstellen is twee weken.

Artikel 5.2.2.2 De reactie op het verzoek
  1. De griffier geeft zo veel mogelijk de verklaring af binnen twee weken nadat aan de vereisten voor indiening van het verzoek is voldaan. Als de griffier tot de conclusie komt dat hij de verklaring niet kan afgeven, deelt hij dat mee aan verzoeker. Ook dat doet hij zo veel mogelijk binnen twee weken nadat aan de vereisten voor indiening van het verzoek is voldaan.
  2. Als de griffier een verklaring afgeeft, terwijl op dat moment wel buiten de beroepstermijn een beroepschrift bij de Afdeling is binnengekomen en op dat moment nog niet is beslist of dat beroep ontvankelijk is, deelt de griffier dat mee aan de verzoeker om de griffiersverklaring. Die mededeling is uitsluitend bedoeld om de verzoeker hiervan op de hoogte te stellen.
  3. Het kan zo zijn dat weliswaar binnen de beroepstermijn beroep of hoger beroep is ingesteld, maar dat dit voordat de griffier reageert op het verzoek niet-ontvankelijk is verklaard. Dan deelt de griffier dat mee aan de verzoeker om de griffiersverklaring, ook als er nog mogelijk Bezwaar tegen een uitspraak die is gedaan zonder dat de procespartij daarbij aanwezig was. kan worden ingediend of is ingediend tegen de niet-ontvankelijkverklaring. Die mededeling is uitsluitend bedoeld om de verzoeker hiervan op de hoogte te stellen.
  4. Als de griffier een verklaring heeft gegeven, stelt hij de verzoeker niet uit zichzelf op de hoogte van daarna ingekomen processtukken of beslissingen die de Afdeling heeft genomen over het onderwerp waarover de griffiersverklaring is afgegeven.

Paragraaf 5.3    Verzoek om schadevergoeding (titel 8.4 van de Awb)


In deze paragraaf zijn de specifieke uitgangspunten voor verzoeken om schadevergoeding opgenomen. Meestal gaat het om uitgangspunten die steeds gelden, dus in deze paragraaf zijn vooral de uitzonderingen opgenomen. De Awb maakt ook bepaalde uitzonderingen. Zie daarvoor artikel 8:94. Als een verzoek om schadevergoeding wordt ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak of het College van Beroep voor het bedrijfsleven geldt op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb een maximaal schadebedrag. Deze twee colleges zijn namelijk alleen bevoegd om dergelijke verzoeken te behandelen als het schadebedrag maximaal € 25.000,- is. 

Artikel 5.3.1 Verhouding tot de rest van deze regeling


Op een verzoek om schadevergoeding zijn hoofdstukken 2 en 3 van deze procesregeling van toepassing, tenzij daarop in deze paragraaf een uitzondering is gemaakt. 

Artikel 5.3.2 Bevestiging dat een verzoekschrift is ontvangen


Binnen twee weken nadat het college het verzoekschrift om schadevergoeding heeft ontvangen, bevestigt het college de ontvangst aan de verzoeker. Ook meldt het college de ontvangst van het verzoekschrift aan het bestuursorgaan dat de schade volgens de verzoeker heeft veroorzaakt.

Artikel 5.3.3    Beperking van het verzoek om schadevergoeding (artikel 8:89, tweede lid, van de Awb)

 

  1. Als een verzoek om schadevergoeding is ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak of het College van Beroep voor het bedrijfsleven geldt het volgende. Heeft de verzoeker geen schadebedrag in het verzoek vermeld, of is het genoemde schadebedrag hoger dan € 25.000,-, dan stuurt de Afdeling of het College de verzoeker binnen twee weken een bericht of een brief. Daarin deelt de Afdeling of het College de verzoeker mee dat het vanwege (het ontbreken van) het schadebedrag niet bevoegd is het verzoek te behandelen. 
  2. In hetzelfde bericht of dezelfde brief biedt de Afdeling of het College de verzoeker de gelegenheid het verzoek om schadevergoeding terug te brengen tot een bedrag van € 25.000,-. Ook wijst de Afdeling of het College de verzoeker erop dat daarmee geen afstand wordt gedaan van het recht om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.
  3. De verzoeker heeft zes weken de tijd om het schadebedrag terug te brengen tot € 25.000,-, gerekend vanaf het moment dat de Afdeling of het College het bericht of de brief in het eerste lid heeft verstuurd. Doet de verzoeker dat niet, of niet op tijd, dan verklaart de Afdeling of het College zich onbevoegd om het verzoek te behandelen.

Paragraaf 5.4 Beroep tegen niet tijdig beslissen (artikel 6:2, 6:20 en 8:55b tot en met 8:55f van de Awb)


In deze paragraaf zijn de specifieke uitgangspunten opgenomen die worden gehanteerd als een partij in beroep is gegaan omdat het bestuursorgaan niet op tijd beslist. Meestal gaat het om uitgangspunten die steeds gelden, dus in deze paragraaf zijn vooral de uitzonderingen opgenomen. De Awb maakt ook bepaalde uitzonderingen. Zie daarvoor de artikelen 8:55b en 8:55e.

Artikel 5.4.1 Verhouding tot de rest van deze regeling


Op een beroep tegen niet tijdig beslissen zijn hoofdstukken 2 en 3 van deze procesregeling van toepassing, tenzij daarop in deze paragraaf een uitzondering is gemaakt. 

Artikel 5.4.2 De manier waarop het beroep wordt behandeld

  1. Het college behandelt een beroep tegen niet tijdig beslissen versneld door artikel 8:52 van de Awb toe te passen. Het college deelt dit aan de partijen mee in de ontvangstbevestiging en de kennisgeving in artikel 2.3.2. Het college stuurt de indiener een bericht (in een digitale procedure) of een aangetekende brief (in een procedure op papier) met het verzoek het griffierecht binnen twee weken te betalen. 

  2. Het college stelt een termijn van twee weken voor het herstellen van een verzuim. 

  3. In de kennisgeving in artikel 2.3.2 verzoekt het college het bestuursorgaan alle stukken binnen twee weken in te dienen. Daarbij deelt het college het bestuursorgaan mee dat het college op basis van de beschikbare stukken op het beroep beslist als het bestuursorgaan de stukken niet, of niet allemaal binnen twee weken indient. 

  4. Behandelt het college het beroep op zitting, dan stuurt het de uitnodiging of oproeping om op de zitting te verschijnen uiterlijk twee weken voor de datum van de zitting aan de partijen. Binnen twee weken na de zitting doet het college uitspraak. 

  5. Het college kan bepalen dat partijen alleen via een videoverbinding aan de zitting kunnen deelnemen. Dat houdt in dat het college gebruikmaakt van een beeld- en geluidverbinding. Dat staat dan in de uitnodiging of oproeping. Als partijen binnen een week na deze mededeling verzoeken om fysiek of telefonisch aan de zitting deel te nemen, komt het college zoveel mogelijk tegemoet aan dat verzoek.

  6. Soms behandelt het college het beroep verder op de gewone manier. Dat gebeurt als het bestuursorgaan (1) alsnog een besluit neemt en (2) dat besluit stuurt aan het college voordat het college uitspraak heeft gedaan. Dan deelt het college de partijen mee dat het beroep op de gewone manier verder wordt behandeld.

Paragraaf 5.5 Verzet (artikel 8:55 van de Awb)

In deze paragraaf zijn de specifieke uitgangspunten voor verzetzaken opgenomen. Dat gaat om zaken tegen een zogeheten buiten-zittinguitspraak. Meestal gaat het om uitgangspunten die steeds gelden, dus in deze paragraaf zijn vooral de uitzonderingen opgenomen. De Awb maakt ook bepaalde uitzonderingen. Zie daarvoor artikel 8:55, tweede lid.

Artikel 5.5.1 Verhouding tot de rest van deze regeling

Op een verzetzaak zijn hoofdstukken 2 en 3 van deze procesregeling van toepassing, tenzij daarop in deze paragraaf een uitzondering is gemaakt.

Artikel 5.5.2 De manier waarop het verzet wordt behandeld

  1. Als het college een verzetschrift heeft ontvangen, behandelt het college het verzet binnen dertien weken na de ontvangst van het verzetschrift op een zitting, of doet het binnen deze termijn uitspraak zonder zitting. Haalt het college deze termijn niet, dan informeert het de indiener van het verzetschrift daar binnen de termijn over.
  2. Het college stuurt de uitnodiging voor de zitting ten minste drie weken van tevoren.

Paragraaf 5.6 Voorlopige voorziening (titel 8.3 van de Awb)


In deze paragraaf zijn de specifieke uitgangspunten voor voorlopige-voorzieningzaken opgenomen. Meestal gaat het om uitgangspunten die steeds gelden, dus in deze paragraaf zijn vooral de uitzonderingen opgenomen. De Awb maakt ook bepaalde uitzonderingen. Zie daarvoor de artikelen 8:81, vierde lid, en 8:82, derde lid. De uitzonderingen gaan vooral over termijnen. 

Artikel 5.6.1 Verhouding tot de rest van deze regeling


Op een voorlopige-voorzieningszaak zijn hoofdstukken 2 en 3 van deze procesregeling van toepassing, tenzij daarop in deze paragraaf een uitzondering is gemaakt. 

Artikel 5.6.2 De op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:83 van de Awb) 


De voorzieningenrechter kan het betrokken bestuursorgaan vragen om tegelijk met het indienen van de stukken een kopie aan de andere partijen te sturen. De voorzieningenrechter vraagt het bestuursorgaan ook om dit bij het indienen van de stukken te vermelden. Als alle partijen digitaal procederen, vraagt de voorzieningenrechter niet om zo’n toezending direct aan de andere partijen.

Artikel 5.6.3 De termijn voor de uitspraak (de artikelen 8:84 en 8:86 van de Awb) 


De voorzieningenrechter doet zo mogelijk binnen twee weken na de zitting uitspraak.
 

 

 

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 6.1 Geldigheid en citeertitel

  1. Op de termijnen in deze procesregeling wordt de Algemene termijnenwet toegepast.
  2. Deze procesregeling wordt in de Staatscourant gepubliceerd en treedt in werking op 1 juni 2026.
  3. De volgende regelingen gelden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze procesregeling niet meer:
    a. de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014,
    b. het Procesreglement bestuursrecht 2017,
    c. de Procesregeling onteigeningszaken 2024 (Afdeling bestuursrechtspraak),
    d. de Procesregeling vreemdelingenzaken (Afdeling bestuursrechtspraak).
  4. Deze procesregeling wordt aangehaald als: Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.

Aldus vastgesteld door:

  • de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 22 januari 2026
  • de Centrale Raad van Beroep op 17 april 2026
  • het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 21 april 2026