Arbeidsmigranten hoeven hun woningen op recreatiepark Van Harte voorlopig niet te ontruimen

De achtergrond
Op recreatiepark Van Harte wonen al verscheidene jaren ongeveer 50 Roemeense arbeidsmigranten. Zij huren de recreatiewoningen daar van een bedrijf, dat gelieerd is aan het uitzendbureau waarvoor zij werken.
De gemeente Holten had permanente bewoning van de recreatiewoningen in het verleden tijdelijk toegestaan, maar wilde dat niet langer meer. De gemeente legde de verhuurder eind 2024 een Bedrag dat iemand moet betalen als hij niet voldoet aan een verplichting die hem door de rechter is opgelegd. In het bestuursrecht is het een bedrag dat iemand moet betalen als niet voldaan wordt aan de last die door een bestuursorgaan is opgelegd. van € 250.000,- op wanneer zij er niet voor zou zorgen dat de permanente bewoning van de woningen op het park uiterlijk op 1 mei 2025 zou eindigen. Die termijn is enkele malen verlengd.
De vordering
De verhuurder heeft bij de De kantonrechter behandelt zowel civiele zaken als strafzaken. Het is een alleensprekende rechter die zaken als overtredingen uit het strafrecht, arbeidszaken, huurzaken en zaken onder de € 25.000,- behandelt. Vroeger was het kantongerecht een apart gerecht naast de rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad. De kantongerechten zijn opgegaan in de rechtbanken. De term 'kantonrechter' is blijven bestaan. in Assen gevorderd dat de huurders de woningen moeten ontruimen. Volgens de verhuurder is de permanente bewoning in strijd met het bestemmingsplan en kan zij de huurovereenkomst om die reden beëindigen. Omdat er haast bij is vanwege de door de gemeente opgelegde dwangsom, kan zij niet de tijdrovende weg van opzegging van de huurovereenkomst volgen. Om die reden vordert zij in Procedure om in een spoedeisende civiele zaak snel een beslissing van de rechtbank te krijgen. Dit is een voorlopige uitspraak. Hierna kunnen de partijen alsnog naar de rechtbank gaan om de zaak voor te leggen (de 'bodemprocedure'). ontruiming van de gehuurde woningen.
De beslissing
De kantonrechter heeft de vordering van de verhuurder toegewezen, maar het hof wijst de vordering af. Volgens het hof is de vordering van de verhuurder alleen toewijsbaar wanneer het bijna zeker is dat de verhuurder in een gewone procedure de huurovereenkomsten met succes zal kunnen beëindigen. Dat is volgens het hof onvoldoende zeker. Bovendien zijn de belangen van de huurders bij het voortzetten van de bewoning veel groter dan de belangen van de verhuurder bij de ontruiming.
De kans is klein dat de verhuurder daadwerkelijk de dwangsom zal moeten betalen wanneer het hof de vordering tot ontruiming afwijst. De verhuurder verkeert dan immers in de onmogelijkheid om aan de dwangsomveroordeling te voldoen. Daar staat tegenover dat het voor de huurders moeilijk zal zijn om op korte termijn andere, passende woonruimte te vinden. Zij lopen dan ook het risico om op straat te staan wanneer de vordering van de verhuurder wordt toegewezen.