Hof doet tussenuitspraak over rechtmatigheid van kentekenherkenning

Den Haag|
Maatschappelijke organisatie Privacy First procedeert tegen de Nederlandse Staat over de rechtmatigheid van automatische kentekenherkenning. Het gerechtshof Den Haag doet vandaag een tussenuitspraak in hoger beroep.

Op grond van artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering is het mogelijk om met behulp van de techniek van Automatic Number Plate Recognition (ANPR) kentekengegevens van voertuigen voor een periode van vier weken vast te leggen. Er staan in Nederland op ten minste 1.176 locaties een of meer camera’s waarmee deze techniek wordt toegepast. De politie kan deze opgeslagen gegevens  gebruiken bij de opsporing van strafbare feiten.

Vorderingen Privacy First

Privacy First Bezwaar tegen een uitspraak die is gedaan zonder dat de procespartij daarbij aanwezig was. zich tegen automatische kentekenherkenning en betoogt dat dit in strijd is met het recht op privacy. Bij de Rechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. vorderde zij dat de regeling buiten werking zou worden verklaard. De rechtbank wees dit af. Bij het hof vordert Privacy First dat wordt vastgesteld dat de regeling onrechtmatig is en dat het de Staat wordt verboden om de verzamelde gegevens te gebruiken totdat die onrechtmatigheid is opgelost.

Nadere onderbouwing Staat nodig 

Het hof wijst nu een tussenarrest omdat de Staat onvoldoende heeft onderbouwd dat de inbreuk op het recht op privacy noodzakelijk is in een democratische samenleving. De Staat moet daarom nadere  informatie verschaffen over de betekenis van de opgeslagen kentekengegevens voor de opsporing van strafbare feiten. Daarbij moet de Staat onder meer toelichten hoe vaak deze gegevens een belangrijke rol hebben gespeeld en waarom een bewaartermijn van vier weken noodzakelijk is. 

Verdragsrechtelijke bescherming van recht op privacy

Op twee punten komt het hof nu al tot een oordeel. In de eerste plaats moet de keuze om op een bepaalde locatie een camera te plaatsen, onderworpen zijn aan onafhankelijk toezicht. In de tweede plaats moet het gebruik van de opgeslagen gegevens slechts mogelijk zijn na een voorafgaande toetsing door een rechter. Op deze punten voldoet de huidige regeling, althans de uitvoering daarvan, niet aan de verdragsrechtelijke bescherming van het recht op privacy.