Hof: Nederlands bedrijf niet aansprakelijk voor levering grondstof voor mosterdgas aan Saddam Hoessein
In de eerste helft van de jaren ’80 van de vorige eeuw waren Irak en Iran met elkaar in oorlog. Irak, destijds onder leiding van Saddam Hoessein, heeft in die strijd verboden chemische wapens ingezet, waaronder mosterdgas. De vijf Iraniërs zeggen dat zij deel uitmaakten van het Iraanse leger en als gevolg van mosterdgasaanvallen door Irak zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. In deze procedure stellen zij Otjiaha B.V. en haar (inmiddels overleden) directeur-grootaandeelhouder aansprakelijk voor de door hen geleden schade. Hun verwijt aan Otjiaha B.V. en de directeur-grootaandeelhouder is dat zij indertijd een grondstof voor mosterdgas (thionylchloride) aan het regime van Saddam Hoessein hebben geleverd.
De Rechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. heeft de vorderingen van de vijf Iraniërs afgewezen. Het hof komt in Het opnieuw behandelen van een zaak door een hogere rechter. tot dezelfde conclusie. Voor aansprakelijkheid moet vaststaan dat Otjiaha B.V. en haar directeur-grootaandeelhouder ten tijde van de leveringen van de bewuste grondstof aan Irak wisten dan wel hadden moeten weten dat Irak daarmee mosterdgas zou maken. Dit hebben de vijf Iraniërs echter niet aangetoond. Otjiaha B.V. en haar directeur-grootaandeelhouder zijn dus niet aansprakelijk voor eventuele door de vijf Iraniërs geleden schade.