Laatst gewijzigd op:

Renteaftrek binnen internationaal concern is voor deel onzakelijk

Den Haag|
Het gerechtshof Den Haag heeft onlangs in hoger beroep uitspraak gedaan in een geschil over de aftrek van rente en commitment fees op leningen binnen een internationaal concern. Daarbij is de Belastingdienst gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Het geschil gaat over de vraag of de in Nederland afgetrokken kosten gelijk zijn aan wat onafhankelijke partijen zouden afspreken.

Centraal in deze zaak staat een Nederlandse vennootschap (BV) die zes kredietfaciliteiten is aangegaan bij buitenlandse groepsvennootschappen. Daarbij was een zogenoemde 'headroom' afgesproken, wat inhoudt dat de BV tot een bepaald maximumbedrag extra geld kon opnemen. Op grond van de contracten was de BV een variabele rente verschuldigd over de opgenomen bedragen en zogenoemde 'commitment fees' over de maximumbedragen van de faciliteiten. De BV heeft in de periode 2012-2017 zowel de rente als de commitment fees afgetrokken van de winst voor een totaalbedrag van € 1.283 miljoen. De Belastingdienst was het hiermee niet eens en heeft deze aftrek voor het grootste deel teruggedraaid door middel van winstcorrecties. De Belastingdienst heeft uiteindelijk een totaalbedrag van € 272 miljoen in aftrek toegelaten. 

Op grond van het (internationaal geldende) 'at arm's length-beginsel' moeten ondernemingen die met elkaar zijn verbonden, zoals binnen een concern, onderling zaken doen tegen dezelfde voorwaarden en prijzen als onafhankelijke partijen zouden afspreken. In een Uitspraak waarbij de rechter geen eindbeslissing geeft, maar bijvoorbeeld een bewijsopdracht of onderzoek beveelt waarvan de beslissing van de zaak afhankelijk kan zijn (Ook wel interlocutoir vonnis genoemd). van 29 oktober 2025 heeft het gerechtshof onder andere – zoals bepleit door de BV – geoordeeld dat bij de toetsing van de prijsstelling van de kredietfaciliteiten aan het 'at arm's length-beginsel' een totale-kostenbenadering mag worden gehanteerd. Dat betekent dat de rente en de commitment fees per kredietfaciliteit mogen worden samengeteld en niet apart hoeven te worden getoetst. Ook moest volgens het gerechtshof bij het bepalen van de zakelijke bedragen worden uitgegaan van de credit ratings die de BV had bepaald. Vervolgens was de vraag of de hoogte van de totale kosten (rente en commitment fees) en de correctie daarvan door de Belastingdienst voldoende worden ondersteund door gegevens over vergelijkbare transacties tussen onafhankelijke ondernemingen. De onderbouwing van de totale kosten door de BV vertoont volgens het gerechtshof fundamentele gebreken. De Belastingdienst had echter geen bewijs aangevoerd waaruit volgt hoe hoog de zakelijke bedragen dan wél zouden zijn indien zou worden uitgegaan van de credit ratings die de BV had bepaald. Het gerechtshof heeft in de tussenuitspraak de Belastingdienst in de gelegenheid gesteld dit alsnog te doen. 

In de vandaag gepubliceerde einduitspraak komt het Gerecht dat zaken in hoger beroep behandelt. Nederland kent vier gerechtshoven., op basis van aanvullend bewijs van de Belastingdienst, tot de conclusie dat de totale kosten die de BV heeft afgetrokken niet 'at arm's length' waren (dus onzakelijk hoog), met uitzondering van één kredietfaciliteit. Dit leidt ertoe dat de door de Belastingdienst bepleite winstcorrecties in verband met de kredietfaciliteiten gedeeltelijk in stand blijven. Voor alle jaren samen is een bedrag van € 903 miljoen aan kosten aftrekbaar van de Nederlandse winst, en wordt dus een bedrag van € 380 miljoen van aftrek uitgesloten.