Den Haag|

Gebiedsverbod voor daders ernstige delicten laat te weinig ruimte voor zorgvuldige belangenafweging

Het wetsvoorstel over een gebiedsverbod voor daders van ernstige gewelds-, zeden- en levensdelicten laat de rechter onvoldoende ruimte voor een zorgvuldige belangenafweging. Dit schrijft de Raad voor de rechtspraakDe Raad voor de rechtspraak bestaat sinds 1 januari 2002 en vormt de schakel tussen de minister van Justitie en de gerechten. De Raad heeft als opdracht te bevorderen dat de gerechten hun rechtsprekende taak goed kunnen vervullen. in een vandaag gepubliceerd wetgevingsadvies. In het wetsvoorstel worden rechters verplicht het gebiedsverbod op te leggen zonder mogelijkheid tot maatwerk, wat disproportionele en onrechtvaardige gevolgen kan hebben.

Strafrechtelijke principes

De bedoeling van het gebiedsverbod is vooral dat een slachtoffer niet geconfronteerd wordt met een dader(Mede)pleger van een strafbaar feit of degene die het feit heeft uitgelokt., ongeacht of er sprake is van een gevaarlijke situatie. Daardoor gaat het wetsvoorstel niet meer uit van klassieke strafdoelen als vergelding en preventie. Dit is een fundamentele systeemwijziging, die – zo benadrukt de Raad – om een zorgvuldige onderbouwing en afweging vraagt, die in de toelichting bij het voorstel ontbreekt.

Weinig ruimte voor maatwerk

Bij ernstige misdrijven moet de rechter straks een gebiedsverbod opleggen voor een gebied van minimaal 5 kilometer voor minimaal 10 jaar (vanaf het moment dat de dader vrijkomt). Dat biedt weinig ruimte voor maatwerk. Dit kan betekenen dat veroordeelden en hun gezinnen moeten verhuizen met grote gevolgen voor hun werk, contact met familie en hun sociale leven. De maatregelEen maatregel kan worden opgelegd na het begaan van een strafbaar feit. Er kunnen maatregelen worden opgelegd in plaats van een straf of naast een straf. Voorbeelden zijn: terbeschikkingstelling (tbs), plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, onttrekking van voorwerpen aan het verkeer. kan daarmee de resocialisatie belemmeren en het recidiverisico verhogen, stelt de Raad.

Vraagtekens

De Raad stelt vraagtekens bij de noodzaak van de maatregel, omdat bestaande strafrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden al bescherming voor slachtoffers bieden. Ook zijn de procedurele regels nog onvoldoende uitgewerkt. De Raad adviseert de  initiatiefnemers het wetsvoorstel niet in de huidige vorm in te dienen.

Lees het volledige wetgevingsadvies.

En zie: alle wetgevingsadviezen van de Raad.