Scorebord voor functioneren van rechtspraak in EU-landen gepubliceerd
Weinig tijd nodig

Bij effectiviteit valt op dat de Nederlandse rechtbanken weinig tijd nodig hebben om zaken af te handelen, ten opzichte van andere Europese landen. Dit geldt met name voor zaken in eerste aanlegDe rechterlijke instantie waar de behandeling van een zaak plaatsvindt. De rechtbank is de eerste aanleg, het gerechtshof de tweede aanleg oftewel de hoger-beroepsinstantie (of de Centrale Raad van Beroep, College van Beroep voor het bedrijfsleven of de Afdeling bestuur van de Raad van State).. Daarnaast is de ‘clearance rate’ - het aantal afgehandelde zaken ten opzichte van het aantal inkomende zaken - net iets meer dan 100 procent (meetjaar: 2018). Dat betekent dat er in 2018 iets meer zaken zijn afgehandeld dan er binnenkwamen. Ook laat het rapport zien bij ‘pending cases’ dat er in Nederland achterstanden zijn bij de rechtbanken. Dit zijn er wel minder dan in veel andere Europese landen.
Kindvriendelijke rechtspraak
Op het gebied van kwaliteit scoort de Nederlandse rechtspraak wat betreft het publiceren van uitspraken iets lager dan gemiddeld. Een nieuwe tabel over kindvriendelijke rechtspraak geeft weer dat ook op dit vlak nog wat te verbeteren valt. Er zijn geen (landelijke) maatregelen die voorkomen dat kinderen meerdere keren gehoord moeten worden in een zaak. Het rapport geeft daarnaast ter overweging om kinderen te vragen naar hun ervaringen in het Klantwaarderingsonderzoek.
IT-vaardigheden
Nederlandse rechters nemen relatief weinig deel aan trainingen om de IT-vaardigheden te verbeteren. Daarentegen worden er veel trainingen gevolgd over ‘judgecraft’ (rechterlijke vaardigheden). Interessant is dat het in Denemarken omgekeerd is; daar volgen rechters bijna alleen maar trainingen om hun digitale vaardigheden te verbeteren.
Onafhankelijk
Nederland scoort tot slot weer hoog op het gebied van onafhankelijkheid. In 2020 vond 77 procent van de samenleving de onafhankelijkheid van gerechten en rechters ‘very good’ of ‘fairly good’. Dat was in 2019 nog 70 procent.