Accreditatiesysteem uit persrichtlijn van gerechten is onrechtmatig en onverbindend

Persrichtlijn 2013 en 2025
In 2013 hebben de gerechten voor het eerst een persrichtlijn geïntroduceerd. Daarin stond dat onder journalisten wordt verstaan 'personen die op een zodanige wijze berichten publiceren dat deze voor iedereen toegankelijk zijn'. Degenen die kwalificeerden als journalist mochten onder meer tijdens openbare zittingen tekstberichten verzenden via de mobiele telefoon of laptop, om zo live verslag te kunnen doen op internet. Ook mochten ze onder meer na het verkrijgen van toestemming beeld- en geluidsopnamen maken van zittingen.
Op 1 juni 2025 is een nieuwe persrichtlijn geïntroduceerd. Voor toegang tot de persfaciliteiten geldt sindsdien de voorwaarde dat iemand beschikt over één van de drie perskaarten die in de Persrichtlijn 2025 worden genoemd en die de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ) uitgeeft. Voor bezit van deze perskaarten, stelt de vakbond naast een verplicht lidmaatschap bepaalde voorwaarden met betrekking tot inkomen en/of tijdsbesteding. Een andere mogelijkheid voor accreditatie is het lidmaatschap van de Buitenlandse Persvereniging (BPV). Dit lidmaatschap is bestemd voor journalisten die voor buitenlandse media in Nederland werkzaam zijn.
De twee journalisten die deze zaak met de VVJ hebben aangespannen, konden na de introductie van de Persrichtlijn 2025 niet langer gebruikmaken van de persfaciliteiten van de gerechten omdat ze niet aan de gestelde voorwaarden voldoen. Zij stellen onder meer dat het accreditatiesysteem onrechtmatig is omdat journalisten die geen perskaart van de NVJ kunnen of willen krijgen, worden uitgesloten. Dit is volgens hen in strijd met het EVRM waarin de vrijheid van meningsuiting is vastgelegd. Zij willen dat de gehele Persrichtlijn 2025 buiten werking wordt gesteld, of in ieder geval het accreditatiesysteem dat in de persrichtlijn is opgenomen.
Oordeel rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het EVRM bepaalt dat een ieder het recht heeft op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezagHet recht en de plicht van een persoon (meestal een ouder) om een kind jonger dan 18 jaar op te voeden en te verzorgen en belangrijke beslissingen te nemen over het kind. Een of twee personen kunnen het gezag hebben.. Het EVRM strekt er mede toe het recht op vrije nieuwsgaring door de pers te waarborgen. De in de Persrichtlijn 2025 opgenomen regels beperken de vrijheid van nieuwsgaring omdat bezit van een van de voorgeschreven perskaarten dan wel het lidmaatschap van de BPV een voorwaarde is voor het mogen verrichten van bepaalde werkzaamheden, zoals het maken van geluids- en/of beeldopnames. In deze zaak is het de vraag of die beperking gerechtvaardigd is.
De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. De gerechten hebben de verantwoordelijkheid voor de toegang tot de persfaciliteiten neergelegd bij de grootste beroepsorganisatie van journalisten, namelijk de NVJ, zonder inzichtelijk te maken hoe ze tot deze keuze zijn gekomen en zonder inzichtelijk te maken hoe deze beroepsorganisatie met deze verantwoordelijkheid omgaat. Daardoor wordt eenieder die toegang wil hebben tot de persfaciliteiten van de gerechten in feite gedwongen lid te worden van deze beroepsorganisatie die onder meer voorwaarden stelt inzake inkomen en/of tijdsbesteding. Deze voorwaarden vormen weliswaar een objectief en meetbaar criterium, maar zijn te beperkend omdat ze personen uitsluiten die bijdragen aan het publieke debat, zonder dat een voldoende duidelijke en reële mogelijkheid bestaat om van dergelijk soort voorwaarden af te wijken.
Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat door het op deze manier aan de NVJ uitbesteden van de keuze wie gebruik kan maken van de persfaciliteiten onder de Persrichtlijn 2025, de traditionele groep van journalisten voor accreditatie in aanmerking komt, maar de groep van personen die bijvoorbeeld als actieve burger, blogger of vlogger bijdragen aan het publieke debat hiervoor niet in aanmerking lijkt te komen. Dit terwijl ook zij een bepaalde ‘public watchdog’ functie vervullen. Dit is in strijd met artikel 10 van het EVRM. De rechtbank merkt op dat de gerechten het kennelijk niet wenselijk vinden om invloed te hebben op wie tot de persfaciliteiten worden toegelaten. Maar daarbij wordt miskend dat de gerechten de verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij het recht op vrije nieuwsgaring in samenhang met de openbaarheid van de rechtspraak inperken.
De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is toegelicht waarom de gehele Persrichtlijn 2025 buiten werking moet worden gesteld. De vordering die daarop ziet, wordt dan ook afgewezen. Wel oordeelt de rechtbank dat de accreditatievoorwaarden in de Persrichtlijn 2025 onrechtmatig en onverbindend zijn.