De Staat mag spoorlijn tussen Vlissingen en Goes gebruiken voor test nieuw beveiligingssysteem
Den Haag|
De spoorlijn in Zeeland tussen Vlissingen en Goes mag als proefbaanvak gebruikt worden voor het testen van een nieuw spoorbeveiligingssysteem. Dat volgt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een bodemprocedure die Stichting Scholierenvervoer Zeeland (SSZ) aanspande tegen de Nederlandse Staat. Tijdens het testen van het systeem zullen op het traject drie tot vier maanden geen treinen kunnen rijden. Dit staat gepland voor 2029-2030. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris in redelijkheid tot de beslissing kon komen om dit traject voor de test aan te wijzen.
Keuze Zeeuwse Lijn
Het huidige beveiligingssysteem van het Nederlandse spoor is verouderd en aan vervanging toe. Binnen de Europese Unie is afgesproken om voor 2050 te gaan werken met een nieuw beveiligingssysteem, het European Rail Traffic Management System (ERTMS). De invoering hiervan is omvangrijk: het vraagt onder meer om het aanleggen van fysieke infrastructuur, aansturing van wissels, overwegen en bakens langs het gehele spoornetwerk, het ombouwen van 1.300 treinen, het opleiden en instrueren van circa 15.0000 gebruikers. Het nieuwe beveiligingssysteem moet worden getest op een spoortraject dat representatief is voor de rest van het spoornetwerk.
Aanvankelijk werd gekozen om de test te doen op het baanvak tussen Lelystad en Zwolle, maar nadere technische en operationele inzichten maakten dat die keuze zeer risicovol zou zijn. De hinder zou mogelijk te groot worden en het gehele spoornetwerk in Nederland zou daar last van kunnen krijgen. Vervolgens heeft een taskforce alle baanvakken in Nederland onderzocht. Er werd gekeken naar welk spoor technisch geschikt zou zijn voor de test, maar ook welke hinder voor treinreizigers het zou opleveren. Er bleven drie opties over die meer of minder geschikt zouden zijn. Het deel van de Zeeuwse Lijn tussen Vlissingen en Lewedorp werd het meest geschikt geacht, omdat deze spoorlijn om verschillende redenen representatief is voor Nederland. Ook is het met de dagelijkse hoeveelheid van ongeveer 3.000 reizigers goed mogelijk om voor dit traject vervangend busvervoer te organiseren.
In oktober 2024 heeft de toenmalige staatssecretaris besloten de Zeeuwse Lijn tussen Vlissingen en Lewedorp aan te wijzen voor de test. Voor een periode van drie tot vier maanden vindt er geen treinverkeer plaats tussen Vlissingen en Goes en zijn treinreizigers aangewezen op vervangend busvervoer. Dit leidt tot een langere reistijd. Daarna volgt nog voor een periode van circa negen maanden een zogenoemde commerciële validatie. Gedurende deze periode is er een grotere kans op verstoringen van het treinverkeer. De staatssecretaris heeft met de provincie Zeeland afspraken gemaakt om hinder en de negatieve gevolgen voor de regio te verzachten. Zo draagt de Staat onder meer bij aan vervangend vervoer speciaal voor scholieren en moet de NS zorgen voor een maximaal mogelijke bezetting van OV-fietsen op de stations in Middelburg, Goes en Vlissingen.
Deze zaak
SSZ, waarin de Zeeuwse scholen zijn verenigd, vindt het besluit om de Zeeuwse Lijn aan te wijzen voor de test onrechtmatig. Volgens SSZ zullen veel scholieren en studenten extra moeilijkheden ondervinden om naar school te komen omdat vervangend busvervoer tot aanzienlijk meer reistijd leidt. SSZ vreest ook dat nieuwe studenten zich vanwege de extra reistijd zullen inschrijven bij onderwijsinstellingen in Brabant of Zuid-Holland en dat Zeeuwse onderwijsinstellingen het extra moeilijk zullen krijgen met het aantrekken van voldoende gekwalificeerd personeel. SSZ wil dat de voorbereidingen voor het houden van de test op het baanvak tussen Vlissingen en Goes worden gestaakt.
Oordeel rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van SSZ raakt aan de wijze waarop de staatssecretaris gebruikmaakt van zijn (wettelijke) bevoegdheden. Tegen de achtergrond van de scheiding van staatsmachten, zal de rechtbank eerst moeten vaststellen hoe groot de rechterlijke bevoegdheidDe vraag welke rechter de zaak mag behandelen. is. Bij het aanwijzen van de Zeeuwse Lijn als proefbaanvak, is een groot aantal, deels tegenstrijdige belangen in het geding. Belangen van reizigers, vrachtvervoerders, reizigersvervoerders, aannemers en ProRail als beheerder van het spoornetwerk. De staatssecretaris, die verantwoordelijk is voor de aanleg en het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur, moet al die verschillende belangen afwegen en in de besluitvorming te betrekken. Die belangenafweging vereist een grote beoordelingsruimte. Bij het aanwijzen van een proefbaanvak heeft de staatssecretaris dan ook een ruime vrijheid om belangen af te wegen en daarin eigen politieke en bestuurlijke keuzes te maken. De rechter toetst daarom terughoudend.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris in redelijkheid tot de beslissing kon komen om de Zeeuwse Lijn aan te wijzen voor de test. SSZ suggereert dat er een groter gewicht is toegekend aan de belangen van goederenvervoerders dan aan die van reizigers, maar de rechtbank oordeelt dat die stelling niet is onderbouwd en niet in overeenstemming is met de feitelijke gang van zaken. De taskforce heeft namelijk de impact op reizigers onderdeel gemaakt van de besluitvorming, en ook de gevolgen voor de regio. Er is besloten een baanvak te kiezen met een klein(er) aantal reizigers. Dit pakt nadelig uit voor reizigers die gebruikmaken van minder druk bereden baanvakken, zoals de Zeeuwse Lijn. Maar dat betekent niet dat de Staat de beslissing niet op deze manier mocht nemen. Ook wanneer zou worden gekozen voor andere proefbaanvakken leidt dat tot hinder voor de reizigers die gebruikmaken van dat spoortraject.
De rechtbank gaat ook niet mee in andere punten die SSZ heeft ingebracht. Dat de verwachte hinder ertoe zal leiden dat grote aantallen leerlingen en studenten zich zullen inschrijven bij een onderwijsinstelling buiten de provincie Zeeland en medewerkers naar andere scholen zullen vertrekken, is onvoldoende onderbouwd. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat de afsluiting gepland is voor drie á vier maanden en vervangend busvervoer wordt georganiseerd, terwijl een opleiding of studie een aantal jaren duurt. SSZ heeft een enquêteZitting waarin de rechter getuigen hoort in een civiele zaak. onder studenten van de Hogeschool Zeeland aangehaald naar de gevolgen van de buitendienststelling van de Zeeuwse lijn voor studenten. Deze enquête laat naar het oordeel van de rechtbank zien dat extra reistijd en verstoringen op het spoor effecten kunnen hebben op de keuze van studenten voor een onderwijsinstelling en voor hun aanwezigheid bij lessen en toetsen. Maar uit deze enquête, onder alleen studenten van de Hogeschool Zeeland (dus: een beperkt deel van de achterban van SSZ), blijkt niet dat het besluit om de Zeeuwse Lijn aan te wijzen voor de test gevolgen zal hebben die zich onevenredig verhouden met de doelen van de test.