Minister moet consulaire hulp verlenen aan 46 personen bij vertrek uit Gaza

Beslissingen rechtbank en Raad van State
Deze zaak is een vervolg op een eerdere spoedprocedure (voorlopige voorzieningEen voorlopige beslissing in spoedeisende zaken die gezien kan worden als tijdelijke regeling tot de eindbeslissing er is.) bij deze rechtbank en een daaropvolgende spoedprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in gelijksoortige zaken.
Op 16 februari 2026 oordeelde de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. in een procedure die drie personen uit Gaza hadden aangespannen, dat de minister hun verzoek tot consulaire bijstand niet-ontvankelijkNiet vatbaar voor berechting. De niet-ontvankelijkheid wordt bepaald door de rechter. Een zaak is niet-ontvankelijk als het niet tot een inhoudelijke behandeling komt omdat er niet is voldaan aan formele vereisten. In het strafrecht kan ook het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zijn als bijvoorbeeld de opsporing en vervolging niet fatsoenlijk zijn verlopen. mocht verklaren. De drie personen wilden naar Nederland komen voor studie of wetenschappelijk onderzoek en konden hun mvv op de ambassade in Jordanië ophalen. Echter, volgens de drie was het niet mogelijk om Gaza te verlaten zonder consulaire hulp van de Nederlandse regering. Doordat de minister die hulp weigert, onttrekt hij zich aan zijn publieke taak, stelden zij. De rechter oordeelde dat in de Nederlandse wet geen juridisch afdwingbaar recht op consulaire bescherming is opgenomen en dat daarmee geen sprake is van een bestuursrechtelijk besluit. De rechter verklaarde de beroepen van de drie dan ook ongegrond.
Hangende het hoger beroepHet opnieuw behandelen van een zaak door een hogere rechter. tegen die uitspraken, oordeelde de voorzieningenrechter van de Afdeling op 19 maart 2026 dat de vraag of de minister een publieke taak aan zich heeft getrokken, zich niet leent voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure. Dit is namelijk een principiële vraag die de Afdeling verder moet onderzoeken. Deze vraag zal in de bodemprocedureTerm die gebruikt wordt voor een normale, uitgebreide procedure bij de rechtbank, in vergelijking met het kort geding (voorlopige voorziening). beantwoord moeten worden. Daarom is nu nog geen inhoudelijk oordeel gegeven, maar is een voorlopige belangenafweging gemaakt. Deze is in het voordeel van de personen uit Gaza uitgevallen.
De voorzieningenrechter van de Afdeling oordeelde dat de personen een groot belang bij consulaire hulp hebben, onder meer vanwege de schrijnende situatie in Gaza. Doordat het nog enige tijd kan duren voordat de Afdeling in een bodemprocedure heeft beslist, bestaat het risico dat de personen uit Gaza bij een voor hen positieve uitkomst niet meer in staat zullen zijn om de mvv’s op te halen. Volgens de voorzieningenrechter weegt hun belang zwaarder dan het belang van de minister. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat het om een relatief kleine inspanning gaat waar om wordt gevraagd. Het gaat namelijk niet om het verlenen van een verblijfsvergunning of het verstrekken van een mvv. Ze vragen ook geen hulp bij de reis naar Nederland of Jordanië of om feitelijke evacuatie uit Gaza. Ze vragen de minister alleen om via diplomatieke weg te proberen te bereiken dat ze de grens mogen oversteken, wat een inspanningsverplichting is.
Deze zaak
In deze zaak hebben 46 personen uit Gaza een verzoek gedaan tot consulaire bijstand van de minister. Er zijn al mvv’s verleend die klaarliggen op de ambassade in Jordanië. In navolging op de voorlopige voorziening bij de Afdeling en gelet op de zeer bijzondere omstandigheden in deze soortgelijke zaken, oordeelt de voorzieningenrechter dat de minister zich moet inspannen om ervoor te zorgen dat de 46 personen Gaza kunnen verlaten om de mvv’s op te halen. Hoe de minister precies invulling geeft aan deze opdracht om consulaire bijstand te verlenen, is aan de minister.