Motivering afwijzing vorderingen tegen de Staat in de ‘DigiD’ (Solvinity) zaak

De zaak
De zaak draait om een overeenkomst van de Nederlandse Staat met het bedrijf Solvinity over het technische beheer van een digitaal platform met diverse applicaties die zorgen voor de werking van onder andere DigiD. De drie burgers wilden voorkomen dat de Staat de overeenkomst voor twee jaar zou verlengen. Ze vrezen dat het bedrijf binnenkort wordt overgenomen door het Amerikaans bedrijf Kyndryl. Dat zou betekenen dat de activiteiten van Solvinity binnen de reikwijdte van de Amerikaanse wet vallen. Persoonsgegevens zouden daardoor in handen kunnen komen van de Amerikaanse overheid, stellen de drie burgers. Volgens hen is dit in strijd met fundamentele rechten van Nederlanders.
Oordeel Rechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt.
Uitgangspunt is dat de Staat een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij de uitvoering van de publieke taak. Die ruime beleidsvrijheid heeft de Staat ook bij een beslissing waar het in deze zaak om gaat, namelijk of de overeenkomst met Solvinity voor de maximale duur van twee jaar wordt verlengd. De afweging om al dan niet tot verlenging over te gaan behoort bij uitstek tot het domein van de uitvoerende macht. De kortgedingrechter moet zich daarom terughoudend opstellen. Alleen als evident sprake is van (dreigend) onrechtmatig handelen van de Staat, kan er plaats zijn voor rechterlijk ingrijpen.
De kortgedingrechter oordeelt dat aannemelijk is dat een groot maatschappelijk probleem zal ontstaan, als de Staat de overeenkomst met Solvinity niet nu verlengt. In dat geval eindigt de overeenkomst 6 augustus 2026. De Staat heeft uitgelegd dat verlenging noodzakelijk is. Volgens de Staat is de dienstverlening van Solvinity van cruciaal belang voor de continuïteit en veiligheid van het Picard-platform en daarmee de digitale overheid. Het niet verlengen van de overeenkomst komt er in feite op neer dat het veilig gebruik van essentiële overheidsapplicaties zoals DigiD en MijnOverheid op losse schroeven komt te staan. Een verantwoorde overstap naar een andere leverancier of het op korte termijn zelf beheren van het Picard-platform, is volgens de Staat met name vanwege de technische complexiteit zonder onaanvaardbare risico’s niet haalbaar. De drie burgers hebben dit niet kunnen weerleggen. Ze hebben wel aangedragen dat er alternatieven voor Solvinity zijn op redelijk korte termijn, maar die hebben ze niet concreet kunnen maken. Gezien het door de Staat geschetste scenario als de overeenkomst niet verlengd wordt, oordeelt de kortgedingrechter dat de Staat niet kan worden verboden de relatie met Solvinity nog enige tijd voort te zetten. De rechter constateert verder dat de Staat de zorgen serieus neemt en zich ervoor inzet de privacybelangen van de Nederlandse burgers zoveel mogelijk te beschermen.
De Staat heeft het recht de overeenkomst met Solvinity met onmiddellijke ingang te ontbinden als Solvinity door Kyndryl wordt overgenomen. Dat recht staat in toepasselijke voorwaarden. De drie burgers willen dat de Staat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, maar willen ook dat de Staat de overeenkomst tegelijkertijd nog voortzet totdat een geschikte opvolger voor Solvinity is gevonden die de diensten kan verzorgen. De kortgedingrechter oordeelt dat de Staat niet tot ontbinding kan worden verplicht. Het is namelijk maar de vraag of de Staat bij ontbinding van Solvinity kan verlangen dat de dienstverlening toch nog een tijd wordt voortgezet. Daar komt nog iets bij: het is (nog) niet aannemelijk dat de Staat onrechtmatig handelt of dreigt te handelen als geen gebruik wordt gemaakt van de ontbindingsmogelijkheid. De Staat heeft uitgelegd in overleg te zijn met Solvinity en het Amerikaanse bedrijf Kyndryl om de potentiële gevolgen van de overname voor de privacy zoveel mogelijk te beperken. Die gesprekken zijn nog gaande. Op dit moment is nog denkbaar dat de Staat voorzieningen kan treffen die de bezwaren van de drie burgers tegen de verlenging kunnen wegnemen.