Den Haag|

Vrijspraak van plegen ontuchtige handelingen met twee patiënten Den Haag

De rechtbank Den Haag heeft een 60-jarige man, werkzaam als praktijkondersteuner bij een huisarts, vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen bij twee patiënten in Den Haag. De rechtbank oordeelt dat er niet voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

De zaak

De man werd verdacht van het betasten van de borsten van een patiënt op 25 januari 2022 en op 6 november 2023, en van een andere patiënt op 24 november 2023. Net als bij veel zedenzaken wordt deze zaak gekenmerkt door de omstandigheid dat het juridische minimumbewijs moeilijk te leveren is. De verklaringen  van de aangevers en de verdachteIemand over wie aanwijzingen bestaan dat hij mogelijk een strafbaar feit heeft gepleegd. De wet spreekt over "een redelijk vermoeden van schuld". Een verdachte wordt pas dader genoemd nadat hij is veroordeeld. staan lijnrecht tegenover de verklaring van de verdachte, waardoor er steunbewijs nodig is: bewijs dat de verklaringen van de aangeefsters ondersteunt. Steunbewijs kan bijvoorbeeld worden gevonden als getuigen vlak nadat de feiten zouden hebben plaatsvonden bij de aangeefster een heftige emotionele reactie of een gedragsverandering hebben waargenomen.

Oordeel rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt.

In deze zaak oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende overtuigend steunbewijs is. Het dossier van een aangeefster bevat twee verklaringen haar man. Die verklaarde over stil en afstandelijk gedrag toen ze hem had verteld wat er die dag in november 2023 volgens haar was gebeurd. Over de gebeurtenis in januari 2022 had ze tot dan toe niet verklaard; wel had hij gemerkt dat zijn vrouw de afgelopen jaren wat afstandelijker was geworden. Een concrete verklaring over haar emotionele gemoedstoestand vlak na het vermeende misbruik ontbreekt echter. De rechtbank komt tot het oordeel dat de ontucht daarom niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De verklaringen van de man van de tweede aangeefster bevatten geen eigen waarneming en geen uitvoerige beschrijving van de emoties bij zijn vrouw. Daarnaast is dat wat haar man verklaarde over de door hem waargenomen emoties, niet vanzelfsprekend in overeenstemming met wat de aangeefster zelf heeft verklaard. Ook de verklaring van een andere getuige kan de verklaring van de aangeefster niet ondersteunen. Omdat voldoende wettig ontbreekt, spreekt de rechtbank de verdachte ook dit feit vrij.