Rechter: geen slib storten in plas Noorderhoek in Hattemerbroek
Aanleiding kort geding

De ondernemingen baggerden in 2013 grote partijen slib uit de Eem en brachten dit - met toestemming van de gemeente Baarn – tijdelijk aan op een weiland. In 2016 eiste de gemeente dat de baggeraars het slib van het weiland verwijderden. Mochten de baggeraars hieraan niet voldoen, dan zouden zij dwangsommen verbeuren. De baggeraars zijn vervolgens met een derde partij, Grondbank, overeengekomen dat het slib afgezet zou kunnen worden in Noorderhoek. Dit is een plas in Hattemerbroek. Op de voorafgaande meldingen van de slibafzetting van Grondbank aan het Waterschap Vallei en Veluwe heeft het Waterschap medegedeeld dat de meldingen niet worden geaccepteerd. De ondernemingen vorderen in dit kort gedingProcedure om in een spoedeisende civiele zaak snel een beslissing van de rechtbank te krijgen. Dit is een voorlopige uitspraak. Hierna kunnen de partijen alsnog naar de rechtbank gaan om de zaak voor te leggen (de 'bodemprocedure'). dat het Waterschap de niet-acceptatie van de melding intrekt, zodat Grondbank kan meewerken aan de afzetting in Noorderhoek.
Belang bij vordering
Volgens de kortgedingrechter hebben de baggeraars belang bij hun vordering. Dat zij bestuursrechtelijk niet als belanghebbendeIemand die betrokken is bij een besluit of geschil en daar (rechtstreeks) belang bij heeft. zijn aan te merken betekent niet dat zij civielrechtelijk geen belang hebben.
Twijfel over de kwaliteit van de partijen slib
Inhoudelijk gezien oordeelt de kortgedingrechter dat uit de stellingen van het Waterschap blijkt dat er onduidelijkheden zijn over de kwaliteit van het slib. Volgens het Waterschap is het slib bewerkt. Deze bewerkingen zouden niet in overeenstemming met de geldende regels hebben plaatsgevonden. De baggeraars betwisten dat de partijen slib zijn bewerkt. Wel verklaarden zij dat er zand en water aan is onttrokken. Volgens de kortgedingrechter geldt dat op grond van de regelgeving (artikel 18 lid 1 Bbk en Protocol BRL 7511) ontwatering en zandscheiding van baggerspecie als bewerkingen zijn aan te merken. Daarnaast moet aan de voor bewerking bepaalde regels worden voldaan in geval van ontwatering en zandscheiding. Uit de verklaringen van partijen leidt de kortgedingrechter af dat onduidelijk is of de baggeraars zich aan alle geldende regels hebben gehouden voor het bewerken van slib.
De twijfel van het Waterschap over de kwaliteit van de partijen slib is dan ook niet bevreemdend en wordt bovendien nog versterkt door het strafrechtelijk onderzoek dat met betrekking tot de partijen slib loopt.
Vorderingen niet toewijsbaar
Deze onduidelijkheden maken dat de vorderingen van de baggeraars niet toewijsbaar zijn. Toewijzing zal er per slot van rekening toe leiden dat het slib voorgoed in de Noorderhoek zal worden afgezet. Daarbij wordt van belang geacht dat de baggeraars het slib – zij het tegen hogere kosten – ergens anders kwijt kan. De baggeraars hebben dan ook een financieel belang, dat zij in een eventuele bodemprocedureTerm die gebruikt wordt voor een normale, uitgebreide procedure bij de rechtbank, in vergelijking met het kort geding (voorlopige voorziening). geldend kunnen maken. Volgens de kortgedingrechter hebben de baggeraars onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een (spoedeisend) belang hebben dat de onomkeerbare afzetting van het slib in Noorderhoek rechtvaardigt.