Zutphen|

Vrijspraak man uit Harderwijk voor grooming minderjarig meisje

De rechtbank  spreekt een 61-jarige man uit Harderwijk vrij van grooming en het verstrekken van schadelijke beeldopnamen aan een minderjarig meisje. De rechtbank is gebonden aan de tekst van de tenlastelegging (de aanklacht). Als deze aanklacht niet kan worden bewezen op basis van het dossier en de verklaringen ter zitting, dan moet de rechtbank een verdachte vrijspreken. Dit is bij beide aanklachten het geval. Illustratieve afbeelding

Appen en voorstel ontmoeting

De eerste aanklacht tegen de man luidde dat hij via social media een ontmoeting had voorgesteld aan een minderjarig meisje, zodat hij bij haar ontuchtige handelingen kon verrichten. Dit wordt ook wel grooming genoemd. De man nam inderdaad via social media contact op met het meisje. Al snel nam de meerderjarige tante van het meisje, en later een meerderjarige medewerkster van een televisieprogramma, het appen met de man over. Zij deden zich voor als het minderjarig meisje. Tijdens het appen met de tante stelde de man een ontmoeting en ontuchtige handelingen voor. Geen van de voorstellen voor de ontmoeting zijn dus gedaan aan het minderjarige meisje. Dit was volgens de tenlasteleggingDeel van de dagvaarding in strafzaken waarin staat waar het Openbaar Ministerie de verdachte van beschuldigt. wel vereist. Daarom spreekt de rechtbank de man vrij van deze aanklacht.

Dat de man in de veronderstelling verkeerde dat hij de voorstellen aan het minderjarige meisje deed, leidt de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. niet tot een andere conclusie. De aanklacht had zich volgens de wet ook kunnen richten op het voorstellen van een ontmoeting aan een persoon die ouder is dan zestien jaar, maar zich voordoet als een minderjarige. Maar dat is niet gebeurd.

Facebookaccount

De andere aanklacht tegen de man luidde dat hij beeldopnamen van zijn geslachtsdeel naar het Facebook-account van een minderjarig meisje in België had gestuurd. Op basis van het dossier blijkt niet wanneer de berichten door de man  naar het meisje zouden zijn verstuurd. Daarnaast blijkt ook niet naar welk Facebook-account van het meisje de beeldopnamen zouden zijn verstuurd en welke profielfoto toen bij welk Facebook-account hoorde. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of de man wist of had moeten vermoeden dat de Facebook-accounts van een minderjarig meisje waren. De rechtbank kan daarom ook niet beoordelen of de man wist of had moeten weten dat het meisje minderjarig was. Daarom kan ook deze aanklacht niet worden bewezen en volgt vrijspraakBeslissing van de rechter als hij het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen acht..