Beroep tegen invoerrechten uit 2002 opnieuw ongegrond verklaard

Wat eraan voorafging
In 2002 zijn door een expediteur in Zeeland twee partijen knoflook Nederland binnengebracht, waarvoor volgens de douane bijna 70.000 euro invoerrechten betaald moesten worden. Volgens de expediteur was de partij knoflook niet voor Nederland bestemd maar voor doorvoer naar buiten de Europese Unie. De expediteur stelt dat indertijd met de belastinginspecteur was afgesproken dat de douaneschuld zou vervallen. Maar volgens de douane betrof dat alleen de douaneschuld voor twee nieuwe zendingen knoflook, die onder toezicht van de douane en de FIOD aan de malafide knoflookhandelaar waren geleverd en waaraan de expediteur zijn medewerking verleende. Deze handelaar had de knoflook illegaal en buiten medeweten van de expediteur in Nederland verkocht.
Het bezwaarProtest van een particulier of organisatie tegen bepaald overheidshandelen. en het (hoger) beroep dat de expediteur tegen de aanslagen had ingesteld, werden ongegrond verklaard. Maar in 2016 oordeelde de Hoge RaadHoogste rechtscollege in Nederland. De Hoge Raad stelt niet meer zelf de feiten vast, maar bekijkt of de lagere rechter bij zijn beslissing het recht goed heeft toegepast., de hoogste belastingrechter, dat de douane de aanslagen voor de knoflookimport verkeerd had opgelegd en vernietigde deze. De douane had namelijk het verdedigingsbeginsel geschonden, aldus de Hoge Raad: er was geen vooraankondiging aan de expediteur gezonden, zodat deze niet in een vroeg stadium argumenten en feiten had kunnen aandragen waarom de aanslag in zijn ogen onjuist was.
Vervolgens legde de douane de expediteur in 2017 opnieuw invoerrechten op, deze keer met vooraankondiging. Daartegen maakte de expediteur bezwaar en ging vervolgens in beroepHet opnieuw behandelen van een zaak door een rechter. bij de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt., nadat het bezwaar ongegrond was verklaard.
Standpunt expediteur
De expediteur vindt dat het verdedigingsbeginsel op deze manier een wassen neus is. Er zouden getuigen gehoord moeten worden, maar die zijn intussen overleden of hebben geen adequate herinnering meer aan wat destijds was afgesproken. We zijn immers inmiddels 18 jaar verder.
Hij beroept zich verder op de rechtszekerheid: het bezwaar tegen de eerste aanslag is pas na bijna 10 jaar afgewezen. Het is niet uit te leggen aan een ondernemer dat hij zoveel jaren later nog een keer met een aanslag geconfronteerd wordt.
Oordeel rechtbank
De rechtbank oordeelt dat het de douane vrijstaat opnieuw douanerechten te heffen, omdat door de Hoge Raad in 2016 alleen de mededeling over die aanslag is vernietigd vanwege de schending van het verdedigingsbeginsel. De douane heeft tijdig een nieuwe mededeling over de invoerrechten gestuurd. Deze voldoet nu wel aan de voorwaarden.
Verder vindt de rechtbank dat de expediteur nooit enige concrete informatie heeft aangedragen voor zijn stelling dat er destijds was afgesproken dat hij geen douanerechten hoefde te betalen. Nu niet, maar ook eerder, in de vele jaren dat dit geschil speelde, niet. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding mogelijke getuigen te horen. Ook uit de overgelegde documenten blijkt niet van zo’n concrete afspraak.
Ten slotte zegt de rechtbank, dat er geen sprake is van schending van de rechtszekerheid door mededelingen over die douaneschuld nu opnieuw uit te reiken. Hoewel de eerste bezwaarprocedure behoorlijk lang heeft geduurd en de inspecteur erop toe moet zien dat een bezwaarprocedure binnen redelijke tijd is afgerond, betekent dat niet dat dat er geen heffing mag worden gedaan. Alleen het tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. De expediteur heeft in deze periode ook niets gedaan om haar bewijsmogelijkheden (voor de gestelde afspraak) veilig te stellen.
Vanwege de schending van de redelijke termijn waarbinnen een dergelijke procedure moet worden afgerond, dient de Staat aan de expediteur 1500 euro te betalen.