Groningen|

Bedrijfsmatig oesterrapen op het Wad

Twee Zeeuwse bedrijven hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen een besluit van Gedeputeerde Staten van Fryslan om hen geen vergunning te verlenen op grond van de Wet natuurbescherming voor het rapen van Japanse oesters op het Wad.

Opnieuw beoordelen

GS heeft voor het bedrijfsmatig rapen van oesters een beleid opgesteld dat voorziet in één gemeenschappelijke vergunning voor een tiental bedrijven die daarvoor een gemeenschappelijk raapplan opstellen. GS heeft de vergunning geweigerd omdat de twee Zeeuwse bedrijven onvoldoende gegevens hebben overgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat aanvragers in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Het vaststellen van een fatale datum in een beleidsregel kan daaraan geen afbreuk doen. Omdat GS de vergunning voor de tien bedrijven op 1 juli 2020 heeft verleend, heeft de voorzieningenrechter GS opgedragen om de aanvragen van de twee Zeeuwse bedrijven in het kader van het bezwaarProtest van een particulier of organisatie tegen bepaald overheidshandelen. tegen die vergunning opnieuw te beoordelen.

Bestaande vergunningen verlengd in afwachting van procedure

Ter zitting is gebleken dat de twee Zeeuwse bedrijven in de vergunning van 1 juli zouden zijn opgenomen indien verweerderIn civiel of bestuursrecht: de tegenpartij van de verzoeker of eiser. de later verstrekte gegevens in zijn besluit had meegenomen, dat de natuurbescherming zich niet verzet tegen het rapen van de oesters door de twee Zeeuwse bedrijven en dat het areaal met oesterbanken dusdanig groot is dat er ook voldoende ruimte is voor de twee Zeeuwse bedrijven. De voorzieningenrechter heeft daarom als voorlopige maatregel uitgesproken dat de bestaande vergunningen van de twee Zeeuwse bedrijven met maximaal een jaar worden verlengd in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure.