Laatst gewijzigd op:

Rechter: pas op de plaats voor provincie, eerst aangekondigde plannen van minister afwachten

's-Hertogenbosch|
De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO), Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV) en onder meer Stichting Stikstof Claim deels in het gelijk gesteld. De provincie Noord-Brabant mag tot en met 1 februari 2027 geen handhavingsmaatregelen treffen rondom twee artikelen uit de Omgevingsverordening. ZLTO en POV wilden dat beide artikelen volledig buiten werking zouden worden gesteld, Stikstof Claim wilde één van de artikelen buiten werking laten stellen, maar daar gaat de rechter nu niet in mee.

ZLTO en POV behartigen de belangen van agrarische bedrijven en ondernemers in Brabant, Gelderland en Zeeland en varkenshouderijen en varkenshouders in Nederland. Zij stapten naar de rechter omdat de provincie Noord-Brabant in de Omgevingsverordening bepaalde dat veehouderijen vanaf 1 juli 2026 maatregelen moeten treffen rondom ammoniakuitstoot.

Volgens de organisaties zou het echter onmogelijk zijn voor veehouderijen om aan de verplichtingen die uit de maatregelen voortkomen te voldoen, bijvoorbeeld vanwege te weinig capaciteit van adviesbureaus. Ook zijn ondernemers afhankelijk van het krijgen van een maatwerkbesluit, bouw- en milieutoestemmingen, financiering en van leveranciers die nieuwe stalsystemen moeten leveren (terwijl die niet leverbaar zouden zijn). De beide organisaties willen dat de artikelen 3.98 en 3.101 uit de Omgevingswet, die gaan over maatregelen rondom stikstofreductie, buiten werking worden gesteld en dat de provincie Noord-Brabant wordt verboden om handelingen te verrichten op basis van deze twee artikelen.

Wettelijke stikstofdoelen

In de Omgevingswet staan o.a. wettelijke stikstofdoelen genoemd. Die zijn erop gericht om vóór een bepaald jaar (2025, 2030 en 2035) een bepaald deel van de oppervlakte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, onder een bepaalde waarde te krijgen (kritische depositiewaarde). De provincie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de vereiste maatregelen daarover. De minister is (eind)verantwoordelijk als het gaat om het nakomen van deze verplichtingen.

Het is volgens de voorzieningenrechter te prijzen dat de provincie Noord-Brabant de verantwoordelijkheid heeft genomen, bijvoorbeeld met de vastgestelde Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) aanpak. Terwijl passende maatregelen op landelijk niveau om de gestelde stikstofdoelen te halen, de afgelopen jaren uitbleven. Met de BOS-aanpak levert de provincie een bijdrage aan de wettelijk stikstofdoelen.

Maatregelenpakket

In juni 2026 presenteerde het kabinet een maatregelenpakket voor de landbouw, natuur en stikstof, waarvoor voldoende politiek draagvlak aanwezig lijkt te zijn. Op het landelijke en het provinciale bestuur rust nu de taak om bij de uitwerking van het maatregelenpakket te komen met een samenhangend en op elkaar afgestemd stikstof-beleid dat recht doet aan alle betrokken belangen.

Het door het kabinet gepresenteerde maatregelenpakket gaat o.a. om een gebiedsgerichte aanpak met het aanwijzen van zones rondom kwetsbare, overbelaste Natura 2000-gebieden waar aanvullende maatregelen worden getroffen. Hiervoor wil het kabinet een groot deel van het beschikbare budget beschikbaar stellen voor ondersteuning op het boerenerf, bijvoorbeeld voor het aanpassen van stallen en om bedrijven te ondersteunen. Als innoveren, extensiveren, omschakelen of verplaatsen geen uitkomst biedt, is er volgens de plannen ook ondersteuning voor het beëindigen van een bedrijf.

Gelet op de gepresenteerde kabinetsplannen is niet uitgesloten dat een veehouder om te voldoen aan de eisen van de provincie nu (zonder financiële compensatie) investeert in nieuwe aangepaste stallen. Terwijl over enige tijd blijkt dat hij moet omschakelen of zijn bedrijf moet beëindigen, bijvoorbeeld omdat de veehouderij in een aangewezen zone ligt. Ook moet een veehouder nu dus de afweging maken om zijn stallen al dan niet aan te passen, zonder duidelijkheid of hij daarvoor een financiële compensatie kan verwachten. Dit klemt, zeker omdat het kabinet substantiële financiële compensatie in het vooruitzicht heeft gesteld waarvan de voorwaarden nu nog niet bekend zijn.

Rechtzekerheidsbeginsel

De voorzieningenrechter stelt allereerst voorop dat de provincie een grote mate van vrijheid heeft in de keuze welke maatregelen zij treft om natuurhersteldoelen te halen. Deze keuze wordt begrensd door algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel. Dat wil zeggen dat rechtsnormen eenduidig moeten worden geformuleerd zodat een burger precies weet waar hij aan toe is en hij zijn handelen daarop kan afstemmen.

De rechter oordeelt dat de provincie nu handelt in strijd met dat rechtszekerheidsbeginsel. De minister liet weten dat hij in januari 2027 bekend maakt welke voorschriften gaan gelden en welke financiële compensatie voor veehouders gaat gelden. Deze binnenkort te verwachten informatie is van cruciaal belang voor de keuzes die veehouders nu moeten maken.

Dat de wettelijke stikstofdoelen de provincie dwingen om (vergaande) maatregelen te treffen om de beoogde natuurherstel doelen te behalen, ontslaat haar niet van de gebondenheid aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel.

Plannen minister afwachten

Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aangekondigde plannen van de minister moeten worden afgewacht. De Rechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. veroordeelt de provincie om tot en met 1 februari 2027 geen  handhavingsmaatregelen te treffen op grond van de artikelen 3.98 en 3.101 van de Omgevingsverordening.

Gelet op de urgentie moet voorkomen worden dat onnodig tijd verloren gaat om verslechtering of dreigende verslechtering voor een groot aantal stikstofgevoelige gebieden tegen te gaan. Daartoe heeft de overheid zich verplicht en zij zou onrechtmatig handelen als er ontoereikende maatregelen zouden worden genomen. Met deze ordemaatregel wordt volgens de rechtbank vooralsnog voldoende tegemoetgekomen aan de belangen van de veehouders.

De voorzieningenrechter ziet nog geen aanleiding om de artikelen 3.98 en 3.101 van de Omgevingsverordening buiten toepassing te verklaren. Of de door de provincie gekozen juridische route uiteindelijk onder de door het kabinet gekozen uitgangspunt zal vallen, valt nu nog niet te beoordelen. De gesprekken hierover met de provincies vinden nog plaats en op de uitkomsten van dat overleg en de vervolgstappen van het kabinet wil de voorzieningenrechter nu nog niet vooruitlopen.