Cel voor doodrijden van man die portemonnee en telefoon stal
De Iemand over wie aanwijzingen bestaan dat hij mogelijk een strafbaar feit heeft gepleegd. De wet spreekt over "een redelijk vermoeden van schuld". Een verdachte wordt pas dader genoemd nadat hij is veroordeeld. was in mei 2024 in Eindhoven aan het werk toen zijn telefoon en portemonnee uit zijn ANWB-bedrijfsauto werden gestolen. Na enige tijd wist de verdachte de locatie van zijn telefoon te achterhalen, reed naar de plek toe en zag daar de persoon die zijn spullen had weggehaald. De verdachte stapte uit, liep met een bandenlichter richting de man en schreeuwde naar hem. De man ging er direct vandoor op een elektrische fiets. De verdachte stapte terug in zijn auto en zette de achtervolging in.

Tijdens die achtervolging maakte de verdachte meerdere verkeersovertredingen. Uiteindelijk reed hij in de Van Minderhoutstraat tegen het achterwiel van de fietser aan waardoor die op de grond viel en onder de auto van de verdachte terechtkwam. De verdachte stopte de auto en stapte kort uit om te kijken wat er was gebeurd. Vervolgens stapte hij weer terug in de bedrijfsauto en reed achteruit om de auto van het slachtoffer te halen. Het slachtoffer overleed twee dagen later in het ziekenhuis aan zijn verwondingen.
Risico
De Rechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. twijfelt er niet aan dat de verdachte niet de intentie had om het slachtoffer dood te rijden. Wel nam hij door zijn (rij)gedrag het risico dat hij met zijn busje het fietsende slachtoffer zou overrijden. Zeker omdat hij op het moment van de aanrijding tussen de 23 en 25 km/u moet hebben gereden. De rechtbank oordeelt daarom dat de verdachte het slachtoffer met opzet doodde en dat hij daarmee schuldig is aan doodslag.
Alle grenzen overschreden
De diefstal van de portemonnee en telefoon was voor de verdachte aanleiding om het slachtoffer te achtervolgen, blijkt uit het strafdossier. Hoewel zijn boosheid en teleurstelling begrijpelijk zijn, overschreed de verdachte alle grenzen. Het is op geen enkele wijze te rechtvaardigen dat hij met zijn auto op zo’n wijze achter de man aanging. Een auto is in zo’n geval een dodelijk wapen.
De rechtbank realiseert zich dat het in deze zaak onmogelijk is om een straf op te leggen die recht doet aan het leed van de nabestaanden. Zij moeten dagelijks leven met een ondraaglijk gemis en een straf zal dat intense leed nooit ongedaan kunnen maken.
De rechtbank heeft er oog voor dat de verdachte door het hele gebeuren een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen. Ook heeft de rechtbank geen enkele twijfel dat de verdachte in de toekomst andere keuzes zal maken. Toch is - gelet op de ernst van het Strafbaar feit. - een gevangenisstraf op zijn plaats. Net als de eis van de Een officier van justitie is een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie in de rechtszaal. De officier van justitie is verantwoordelijk voor het opsporen en vervolgen van strafbare feiten. De officier beslist of iemand voor de rechter moet komen en eist een straf als de verdachte schuldig is., komt de rechtbank tot een celstraf van 48 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk. Dit betekent dat de verdachte – na aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft gezeten – nog ruim 22 maanden naar de gevangenis moet.