Man is Nederlanderschap kwijt vanwege betrokkenheid bij genocide in Rwanda
De man is geboren in Rwanda en verblijft sinds 1999 in Nederland. In september 2006 is aan hem het Nederlanderschap verleend. Een aantal jaar geleden trok de staatssecretaris dit echter in. Volgens hem zijn er ernstige redenen om aan te nemen dat de man betrokken was bij de genocide in Rwanda in 1994. Dit heeft de man tijdens zijn toelatings- en naturalisatieprocedure niet vermeld, terwijl hij wist dat dit in die procedures van groot belang was.

De man is het er niet mee eens dat zijn Nederlanderschap is ingetrokken. Hij maakte bezwaarProtest van een particulier of organisatie tegen bepaald overheidshandelen. tegen deze beslissing, maar dat verklaarde de staatssecretaris in september 2018 ongegrond. Vervolgens stapte de man naar de rechter. De rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. deed in mei 2018 uitspraak in de kwestie: de beroepszaak werd niet-ontvankelijkNiet vatbaar voor berechting. De niet-ontvankelijkheid wordt bepaald door de rechter. Een zaak is niet-ontvankelijk als het niet tot een inhoudelijke behandeling komt omdat er niet is voldaan aan formele vereisten. In het strafrecht kan ook het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zijn als bijvoorbeeld de opsporing en vervolging niet fatsoenlijk zijn verlopen. verklaard omdat de man kort gezegd niet op tijd het verschuldigde griffierecht had betaald. In hoger beroep werd die uitspraak vernietigd en is de zaak terugverwezen naar de rechtbank.
Oordeel rechtbank
De staatssecretaris kreeg informatie over de man van de IND, het Openbaar MinisterieValt onder het ministerie van Justitie. Geeft leiding aan het opsporingsonderzoek van de politie en vervolgt de verdachten. en de Minister van Buitenlandse Zaken. Op basis hiervan mocht hij tot de conclusie komen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de man betrokken was bij de genocide in Rwanda. Dit verzweeg de man tijdens zijn asiel- en naturalisatieprocedure. Als deze essentiƫle informatie bekend was geweest, had de man geen verblijfsvergunning gekregen en was hij niet in aanmerking gekomen voor het Nederlanderschap. De rechtbank oordeelt dan ook dat de staatssecretaris terecht het Nederlanderschap introk.
De rechtbank kent de man wel een schadevergoeding toe, omdat de staatssecretaris niet binnen redelijke termijn heeft beslist op zijn bezwaar tegen de intrekking van zijn Nederlanderschap.