Man veroordeeld voor poging doodslag in uitgaansgebied Eindhoven
De verdachteIemand over wie aanwijzingen bestaan dat hij mogelijk een strafbaar feit heeft gepleegd. De wet spreekt over "een redelijk vermoeden van schuld". Een verdachte wordt pas dader genoemd nadat hij is veroordeeld. viel op een vrijdagnacht in december 2015 samen met een vriend een man lastig die aan het pinnen was in het uitgaansgebied van Eindhoven. Dit liep uit op een worsteling, waarbij de verdachte en die vriend de pinnende man op de grond duwden. De verdachte schopte vervolgens 4 of 5 keer hard tegen het hoofd van de man. Volgens de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. had het slachtoffer als gevolg van dit geweld kunnen overlijden. De verdachte aanvaardde dit risico. De rechtbank veroordeelt de verdachte daarom voor een poging tot doodslag. Aan het verhaal dat de verdachte zichzelf en zijn vriend moest verdedigen, hecht de rechtbank geen geloof.
Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank mee dat de verdachte door zijn handelen op haast achteloze wijze blijk gaf van zijn kennelijke gebrek aan respect voor het leven van zijn medemens. De gebeurtenissen hebben een grote impact gehad op het slachtoffer. Daarnaast veroorzaakt een dergelijk delictStrafbaar feit. grote maatschappelijke onrust en draagt het bij aan een angstig en onveilig gevoel. De verdachte was tijdens het delict onder invloed van alcohol en wist dat dit een negatieve werking op zijn gedrag had. Hij onderschat de ontremmende werking van het alcoholgebruik op zijn gedrag.
De rechtbank legt een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op, om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke strafStraf die pas uitgevoerd wordt als de veroordeelde zich niet aan bepaalde voorwaarden houdt. Als voorwaarde geldt altijd dat de veroordeelde zich niet binnen de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit schuldig maakt. De proeftijd bedraagt in de meeste gevallen maximaal drie jaar. Als bijzondere voorwaarde kan bijvoorbeeld worden opgelegd dat de veroordeelde zich op bepaalde tijdstippen meldt bij de reclassering. Als de veroordeelde de opgelegde voorwaarden niet nakomt, kan de officier van justitie bij de rechter eisen dat de voorwaardelijk opgelegde straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd. koppelt de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden. Zo moet de man onder meer deelnemen aan een gedragstraining en krijgt hij een meldplicht bij de verslavingsreclassering.