Minister mocht de opvang van zestien vreemdelingen in de Rotterdamse LVV niet beëindigen
De LVV
De LVV bood onderdak aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Zij ontvingen, na toelating tot de LVV, onderdak, voedsel, de mogelijkheid zich te wassen en leefgeld. Dit werd ook wel de bed-bad-broodregeling genoemd. De LVV was tot stand gekomen op grond van een convenantAfspraak of overeenkomst tussen twee partijen. dat is afgesloten tussen de Rijksoverheid en een aantal gemeenten, waaronder Rotterdam. Die gemeenten boden deze opvang aan namens de minister van Asiel en Migratie.
De minister had besloten de LVV-regeling te beëindigen per 1 januari 2025 en heeft de opvang van de vreemdelingen die daar verbleven ook beëindigd. Dit zou betekenen dat de vreemdelingen die nu in de Rotterdamse LVV-opvang verblijven, daar na 1 januari 2025 niet meer werden opgevangen. De opvang van de vreemdelingen is tot op heden feitelijk niet beëindigd omdat de Rotterdamse voorzieningenrechter dat heeft verboden tot vier weken na de uitspraak van vandaag.
Oordeel van de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt.
De rechtbank heeft vandaag geoordeeld dat de minister voor zestien van deze vreemdelingen onvoldoende heeft gewaarborgd dat zij niet in een zogenaamde ‘situatie van zeer verregaande materiële deprivatie’ terechtkomen door de beëindiging van hun opvang. Dit had de minister wel moeten doen, aangezien uit Europese wetgeving en rechtspraak volgt dat de overheid ook voor vreemdelingen die onrechtmatig in Nederland verblijven, nog altijd moet zorgen dat zij niet in een onmenselijke situatie terechtkomen. Dat zou namelijk in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest van de EU en artikel 3 van het EVRM.
Deze zestien vreemdelingen die in de LVV verbleven zijn kwetsbaar en onvoldoende zelfredzaam. Omdat zij ook geen netwerk hebben, niet mogen werken en geen recht hebben op andere voorzieningen, zijn zij bovendien volledig afhankelijk van de Nederlandse overheid. Voor deze vreemdelingen heeft de minister geen aanbod gedaan voor opvang in een andere voorziening (de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel), omdat zij niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden. Omdat de rechtbank deze beroepen gegrond verklaart, zal de minister nieuwe besluiten moeten nemen waarbij rekening moet worden gehouden met het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft verder bepaald dat deze vreemdelingen tot die tijd in de opvang mogen blijven.
Voor vier andere vreemdelingen die in de LVV verbleven geldt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de minister wél voldoende heeft gewaarborgd dat zij niet in een ‘situatie van zeer verregaande materiële deprivatie’ terecht zullen komen. In deze gevallen heeft de minister namelijk wél voorzien in een concreet opvangalternatief, namelijk de VBL. Hier zijn weliswaar bepaalde voorwaarden aan verbonden, maar de minister vindt zelf dat deze vreemdelingen aan die voorwaarden voldoen en dus komen deze vier vreemdelingen door de beëindiging van de opvang in de Rotterdamse LVV niet op straat. De minister heeft voldoende toegelicht dat er plek is voor die vreemdelingen in de VBL en dat de VBL ook voor hen geschikt is. Dit betekent dat de minister voldoende heeft onderbouwd dat in die vier gevallen geen sprake zal zijn van een situatie in strijd met artikel 4 van het Handvest. De rechtbank oordeelt dus dat deze beroepen ongegrond zijn en dat het besluit van de minister in stand blijft.