Veroordeling voor verkrachting, niet voor doodslag van 15-jarig meisje in 1995

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRechtbank Oost-Brabant > Nieuws > Veroordeling voor verkrachting, niet voor doodslag van 15-jarig meisje in 1995
's-Hertogenbosch, 21 november 2016

De rechtbank Oost-Brabant heeft een 49-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar voor de verkrachting van een 15-jarig Eindhovens meisje in 1995. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de man het meisje ook heeft gedood, al wijzen de feiten en omstandigheden wel in zijn richting. De rechtbank kan echter niet uitsluiten dat een andere persoon daarvoor verantwoordelijk is.

Het meisje verdween in de vroege ochtend van 6 oktober 1995 toen zij op haar fiets naar haar bijbaan in Eindhoven onderweg was. Op 22 november 1995 werd haar lichaam aangetroffen in een bosperceel in Lierop. Uit onderzoek bleek dat zij door geweld om het leven was gebracht. De 49-jarige man werd in januari 2014 aangehouden nadat het NFI sterke overeenkomsten had gevonden tussen zijn DNA en het DNA van sperma dat destijds in het lichaam en op de kleding van het meisje was aangetroffen. Ook het DNA van een haar die destijds op de jas van het meisje was aangetroffen, kwam volgens het NFI sterk overeen met het DNA van de man. Deze heeft altijd ontkend dat hij iets met de misdrijven te maken had.

DNA-onderzoek

De rechtbank heeft omvangrijk onderzoek door deskundigen laten verrichten naar de overeenkomsten tussen het DNA van de spermasporen en het DNA van de man. Op basis van dit onderzoek stelt de rechtbank vast dat het aangetroffen sperma deels van de man is. Ook zijn in de spermasporen DNA-kenmerken aangetroffen van de vriend waarmee het meisje in 1995 verkering had. De rechtbank stelt daarnaast vast dat in de spermasporen DNA van een onbekend gebleven persoon aanwezig is.
De haar die op de jas aangetroffen werd, is volgens de rechtbank van de man afkomstig.

Verkrachting

Volgens de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de man het meisje heeft verkracht. Het aantreffen van zijn sperma in het lichaam van het meisje duidt daarop. Zelf geeft de man aan dat als zijn sperma bij het slachtoffer zou zijn aangetroffen, dat sperma er door vrijwillig seksueel contact moet zijn terechtgekomen. Hij zou haar dan in het uitgaansleven hebben ontmoet en seks met haar hebben gehad, zonder dat hij zich haar concreet kan herinneren. Dat scenario is volgens de rechtbank volstrekt onaannemelijk.

Vrijspraak van doodslag

Volgens de rechtbank wijzen de feiten en omstandigheden voor wat betreft de doodslag in sterke mate in de richting van de man. De rechtbank kan er echter de ogen niet voor sluiten dat het DNA-onderzoek erop wijst dat naast hem en het vriendje van het slachtoffer nog een derde persoon DNA heeft bijgedragen aan de spermasporen. Alle deskundigen die de rechtbank heeft geraadpleegd zijn het daarover eens. De rechtbank acht het zo goed als uitgesloten dat het DNA van een derde persoon afkomstig is van een vrijwillig seksueel contact van het meisje. Of dat DNA per ongeluk in de loop van het forensisch onderzoek in de (sperma)sporen terecht is gekomen, of dat het afkomstig is van een tweede dader van een verkrachting, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Beide mogelijkheden zijn reëel.

Het aangetroffen sperma van de man is onmiskenbaar een daderspoor voor de verkrachting. Voor de doodslag is het echter geen daderspoor. Dat geldt ook voor de aangetroffen haar van de man.

Hoewel de rechtbank de verkrachting bewezen acht, kan zij niet uitsluiten dat een mogelijke tweede dader van een verkrachting het slachtoffer heeft gedood. Daarom moet de man van de doodslag worden vrijgesproken. Dat hij zelf niet heeft verklaard dat -ondanks de door hem gepleegde verkrachting- niet hij maar een ander het meisje heeft gedood, kan daarin geen verschil maken. Een verdachte hoeft geen bewijs tegen zichzelf te leveren.

​Strafoverwegingen

De rechtbank rekent het de man zwaar aan dat hij door de verkrachting de lichamelijke en geestelijke integriteit van zo’n jong meisje ernstig en wezenlijk heeft beschadigd. Het valt nauwelijks voor te stellen wat zij in de vroege ochtend van 6 oktober 1995 heeft doorgemaakt en hoezeer zij heeft geleden.

De rechtbank betreurt het zeer dat de naasten van het meisje na haar verdwijning wekenlang in grote onzekerheid en angst hebben verkeerd over haar lot. En ook dat tot nu toe de naasten geen duidelijkheid hebben kunnen krijgen over wat er is gebeurd na de verkrachting. Maar omdat de man wordt vrijgesproken van de doodslag, kunnen deze omstandigheden niet meewegen bij het bepalen van de straf.

Geen tbs

De rechtbank weegt mee dat de man tijdens het delict leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De precieze mate waarin die stoornis van invloed was op zijn gedrag, is niet meer vast te stellen. Volgens de rechtbank kan het delict hem in ieder geval niet volledig worden toegerekend.
De rechtbank kan de man geen terbeschikkingstelling opleggen omdat de kans op herhaling zeer klein wordt geacht. De verdachte werd in 2001 veroordeeld tot tbs voor een andere verkrachting en zit in de afrondende fase van die behandeling. Volgens een psycholoog en psychiater zijn er geen gronden voor een nieuwe tbs-behandeling.

​Vorderingen nabestaanden

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van de nabestaanden zijn gebaseerd op de doodslag op het slachtoffer. Omdat de rechtbank niet bewezen acht dat de man degene is die het meisje heeft gedood, kan de rechtbank die vorderingen niet toewijzen, ook al staat vast dat de nabestaanden door het overlijden van het meisje schade hebben geleden.

Overzicht van deze zaak

Uitspraak

Meest gelezen berichten