De zaak

Een Nederlandse vennootschap wil dat belastingaanslagen en boetes over 2008–2016 worden verminderd of vernietigd. De Belastingdienst vindt dat de verdisconteerde winstcorrecties en opgelegde boetes in stand moeten blijven.

De belanghebbende

Belanghebbende is een Nederlandse vennootschap binnen een internationaal concern. Ze betwist de aanslagen voor de vennootschapsbelasting over de jaren 2008–2016 en de opgelegde boetes over 2010 en 2012–2016. Voor alle jaren is in geschil of de vergoedingen (verrekenprijzen) die diverse in het buitenland gevestigde concernvennootschappen voor leveringen en diensten aan belanghebbende in rekening hebben gebracht als zakelijk kunnen worden aangemerkt.

De inspecteur heeft volgens belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde verrekenprijzen onzakelijk zijn en heeft zich daarom ten onrechte beroepen op het bewijsvermoeden van onzakelijkheid van artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De boetes zijn eveneens ten onrechte opgelegd. Volgens de vennootschap waren de verrekenprijzen die buitenlandse concernvennootschappen in rekening brachten volledig zakelijk, en had ze recht op aftrek van de betaalde kosten, zoals zekerheidsstellingen voor obligaties en royalty’s voor licenties.

De vennootschap vindt dat sommige boetes alleen bij opzet mogen worden opgelegd. Belanghebbende vindt dat ze redelijk en transparant heeft gehandeld binnen de regels van het concern en de wet.

De belastingdienst

De belanghebbende heeft de winst te laag aangegeven. De Belastingdienst vindt dat de verrekenprijzen voor leveringen en diensten, zoals factoringkosten en zekerheidsstellingen voor obligaties, tussen de concernvennootschappen onzakelijk hoog waren. Ook meent de Belastingdienst dat de beëindiging van licentierechten zonder vergoeding in 2016 een onzakelijke onttrekking van vermogen was. Op basis van artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 gaat men dan uit van het bewijsvermoeden dat de nadelige gevolgen van de transacties met gelieerde partijen moeten worden gecorrigeerd omdat zij worden veroorzaakt door de gelieerdheid van belanghebbende met die partijen, tenzij belanghebbende dit bewijsvermoeden kan ontzenuwen.

De Belastingdienst vindt dat belanghebbende daar niet in is geslaagd. Hierdoor is sprake van te lage aangiften. De inspecteur houdt ook vast aan de correcties op winstdeling, kostprijsplus-prijsstelling- U verlaat Rechtspraak.nl en royalty’s. De Belastingdienst baseert zich op het zogenoemde zakelijkheidsbeginsel- U verlaat Rechtspraak.nl en vindt dat de vennootschap door niet zakelijk handelen een te laag bedrag aan winst heeft verantwoord. De opgelegde boetes waren daardoor terecht.

Het gerechtshof Amsterdam

Veel correcties die de Belastingdienst heeft gemaakt, waren terecht, zoals bij factoringtarieven en garantievergoedingen. Het gerechtshof vindt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de daarvoor in rekening gebrachte verrekenprijzen onzakelijk hoog waren. Ook acht het hof het onzakelijk dat belanghebbende bij de beëindiging van de licentierechten geen vergoeding voor de waarde van die rechten heeft gekregen. Volgens het hof heeft dat geleid tot een onzakelijke onttrekking aan het vermogen van ruim 1,3 miljard euro.

Tegelijk vernietigt het hof wel enkele boetes, bijvoorbeeld voor winstverdeling en kostprijs-plus-aanpassingen. De inspecteur heeft niet overtuigend aangetoond dat sprake was van (voorwaardelijk) opzet. Ook vindt het gerechtshof dat de inspecteur niet het vereiste bewijs heeft geleverd dat belanghebbende voorwaardelijk opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan met betrekking tot de beëindiging van licentierechten in 2016. De daarvoor opgelegde boete van 125 miljoen euro is daarom vernietigd. De winstbijtellingen die volgens het hof terecht zijn aangebracht belopen in totaal ruim 1,9 miljard euro. De boetes die volgens het hof verschuldigd zijn, bedragen ruim 2 miljoen euro.