Vragen aan Hof van Justitie: welk lidstaat verantwoordelijk voor asielaanvraag?
Aanleiding voor de prejudiciële vragen aan het Hof van Verzamelnaam voor functies die zich binnen de overheid bezighouden met de handhaving van het recht. van de Europese Unie is een asielvraag van een Syrische man die de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling heeft genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV). De Syrische man diende op 13 juli 2026 een beroep in tegen dit besluit. Omdat de minister al handelingen had verricht om hem over te dragen aan Kroatië, diende hij op 29 juli 2026 een verzoek om een Een voorlopige beslissing in spoedeisende zaken die gezien kan worden als tijdelijke regeling tot de eindbeslissing er is. in bij de voorzieningenrechter om zijn overdracht te verbieden zolang niet op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter wees de voorlopige voorziening op 11 augustus 2026- U verlaat Rechtspraak.nl toe.
Overdrachtstermijn
Het Het opnieuw behandelen van een zaak door een rechter. en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn niet gelijktijdig ingediend, terwijl de AMBV en Vreemdelingenwet 2000 dat wel voorschrijven. Naar het oordeel van de Rechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. is met het claimakkoord van 14 maart 2026 de overdrachtstermijn van zes maanden begonnen te lopen. Dat betekent dat de overdrachtstermijn in beginsel op 14 september 2026 zou zijn verlopen, waarna Nederland verantwoordelijk zou zijn geworden. De vraag die beantwoord dient te worden is of met de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening ook de overdrachtstermijn is opgeschort óf dat alleen de uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort en de overdrachtstermijn is blijven doorlopen. De rechtbank kan deze vraag niet zelf beantwoorden en ziet zich genoodzaakt om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.
Het antwoord op die vraag is van belang om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. En dus voor het antwoord op de vraag of de minister de aanvraag van Degene die een civiele dagvaardingsprocedure of een bestuursrechtelijke procedure begint. om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen terecht niet in behandeling heeft genomen.
De rechtbank schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vraag door het Hof en houdt iedere verdere beslissing aan.
Meer informatie
Voor meer informatie kunt u een e-mail- U verlaat Rechtspraak.nl sturen naar team Communicatie van de rechtbank.