Bestuurlijke boetes bij onterecht ontvangen studiefinanciering

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Bestuurlijke boetes bij onterecht ontvangen studiefinanciering
Utrecht, 02 juni 2016

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in enkele uitspraken van 1 juni 2016 over bestuurlijke boetes die door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden opgelegd aan studenten die studiefinanciering ontvangen als uitwonende studerende, terwijl ze, gelet op hun woonsituatie, niet voldoen aan alle voorwaarden voor toekenning van een uitwonendenbeurs.

Tot eind 2011 hadden studenten recht op een uitwonendenbeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 indien zij niet bij hun ouders woonden. Sinds eind 2011 bestaat een extra voorwaarde voor het recht op een uitwonendenbeurs. De student moet ook daadwerkelijk wonen op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven staat. Als aan de hand van een controle door de minister wordt vastgesteld dat een student niet aan deze voorwaarde voldoet, leidt deze vaststelling tot een terugvordering van het verschil tussen de toegekende en uitbetaalde beurs voor een uitwonende student en het bedrag dat hij als thuiswonende zou hebben ontvangen (dit verschil bedraagt ongeveer 200 euro per maand). Bij de terugvordering wordt er op grond van een zogeheten wettelijk vermoeden van uitgegaan dat de bij de controle aangetroffen situatie reeds langer bestaat en dat de student de uitwonendenbeurs al vanaf zijn laatste overschrijving in de brp ten onrechte heeft ontvangen. De terugvordering kan bedragen betreffen van duizenden euro’s.

Daarnaast kan de minister in deze zaken ook een bestuurlijke boete opleggen. Die boete is maximaal 50 procent van het totale bedrag dat als gevolg van een herziening wordt teruggevorderd. Ook hier kan het dus om forse bedragen gaan.

De Centrale Raad heeft in de uitspraken van 1 juni 2016 uitgelegd hoe een passende boete moet worden vastgesteld. Daarbij mag de minister het maximale boetepercentage als uitgangspunt hanteren. Als de student verminderd kan worden verweten dat hij niet aan de voorwaarden voldeed, moet een lager percentage als uitgangspunt worden genomen. Verder is in de uitspraken uitgelegd hoe het wettelijk vermoeden dat bij de herziening wordt gebruikt doorwerkt bij de vaststelling van de hoogte van de boete. Omdat het voor de student mogelijk moet zijn om tegenbewijs te leveren bij het uitgangspunt dat hij ook voorafgaand aan de controle niet op het brp-adres heeft gewoond, terwijl dat bewijs niet altijd eenvoudig te leveren is, heeft de Centrale Raad wel gekozen voor een begrenzing van dit uitgangspunt tot 12 maanden. Alleen als er aanvullend bewijs is dat de student ook daarvoor al niet woonde op zijn brp-adres mag de minister de boete berekenen over een langere periode. Tot slot is in de uitspraken gemotiveerd waarom voor studiefinancieringszaken, anders dan bijvoorbeeld voor bijstandszaken, een eenvoudig boetestelsel volstaat.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraken zijn laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten