Geen automatische uitsluiting bijstand EU-burger in de eerste drie maanden van verblijf

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Geen automatische uitsluiting bijstand EU-burger in de eerste drie maanden van verblijf
Utrecht, 09 november 2016

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 28 oktober 2016 dat de automatische uitsluiting van het recht op bijstand van onderdanen van een andere EU-lidstaat die werkzoekende zijn gedurende de eerste drie maanden van verblijf niet in strijd is met het EU-recht, maar wel in strijd met artikel 1 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onderdeel e, van de Vw 2000. Evenmin is in geschil dat appellant als werkzoekende naar Nederland is gekomen en in de te beoordelen periode reeds langer dan drie maanden maar niet langer dan vijf jaar in Nederland verblijf hield. Tussen partijen is in geschil of appellant in de te beoordelen periode terecht is aangemerkt als werkzoekende en op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB geen aanspraak op bijstand heeft. In dit verband is allereerst van belang de partijen verdeeld houdende vraag of appellant in de te beoordelen periode zijn status van werknemer heeft behouden.

Uit overleg dat het college met het Koppelingsbureau van de IND heeft gevoerd, is gebleken dat appellant zowel op dat moment als in de te beoordelen periode is aangemerkt als werkzoekende. Anders dan appellant stelt, heeft het onderzoek van het college zich niet beperkt tot het verifiëren van de GBA-code. Het college heeft voorts terecht het standpunt ingenomen dat appellant niet valt onder de gevallen waarin de status van werknemer behouden blijft. Appellant heeft immers alleen in de maand december 2012 werkzaamheden op uitzendbasis verricht en heeft daarna niet meer gewerkt. Voor zover appellant nog een beroep heeft willen doen op artikel 7, derde lid, onder d, van de Richtlijn omdat hij een cursus Praktische Psychologie heeft gevolgd en zich heeft ingeschreven bij de Open Universiteit voor de studie Cultuurpsychologie, slaagt dit beroep alleen al niet omdat geen sprake is van een verband tussen zijn voorafgaande werkzaamheden als postsorteerder en deze opleidingen. Dit betekent dat appellant zijn status van werknemer niet heeft behouden en terecht als werkzoekende in de zin van de Richtlijn is aangemerkt.

De vraag of de (automatische) uitsluiting in de nationale regeling van het recht op bijstand van onderdanen van een andere lidstaat die werkzoekende zijn, verenigbaar is met artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn en met de artikelen 18 VWEU en 45, tweede lid, van het VWEU, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) bevestigend beantwoord in het arrest van 15 september 2015, Alimanovic, C-67/14 (ECLI:EU:C:2015:597 (europa.eu)). Het Hof heeft daarbij onder meer overwogen dat een individueel onderzoek naar de vraag of de betrokken persoon in het kader van diens verblijf een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel teweegbrengt, in een situatie als deze niet is geboden. Volgens het Hof houdt de Richtlijn zelf rekening met verschillende factoren die de individuele situatie van elke aanvrager van een sociale prestatie kenmerken, door een gradueel stelsel van behoud van de status van werknemer in het leven te roepen, dat ertoe strekt het verblijfsrecht en de toegang tot de sociale prestaties veilig te stellen (punten 59 en 60).

Het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB)

Vastgesteld wordt dat in de te beoordelen periode de WWB niet was genotificeerd en dat het voorgenomen voorbehoud nog niet overeenkomstig artikel 16, onder b, van het EVSMB ter kennis was gebracht van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, zoals volgens het Verdrag wordt vereist. Niet wordt ingezien dat de kernverplichting van het Verdrag, als verwoord in artikel 1 van het EVSMB, door de Verdragsluitende partijen kan worden ingeperkt op een andere manier dan in het Verdrag is voorzien. Hieraan kan niet afdoen dat de WWB nog niet op Bijlage I was geplaatst, nu deze Bijlage volgens de verdragsgeschiedenis niet constitutief is en de WWB een regeling bevat waarop het EVSMB onweersproken van toepassing is. Dit volgt ook uit de bewoordingen van artikel 2 van het EVSMB waarin een autonome betekenis aan het woord “bijstand” is gegeven. Bovendien was de Algemene bijstandswet sinds 2000 wel in Bijlage I opgenomen en valt de WWB als opvolger van de Algemene bijstandswet ook onder het bereik van het EVSMB.

De Raad concludeert dat appellant, die in de te beoordelen periode rechtmatig in Nederland verbleef, op grond van artikel 1 van het EVSMB voor de beoordeling van zijn aanspraken op bijstand gelijkgesteld moet worden met de in Nederland woonachtige Nederlander. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de WWB in dit geval niet ten grondslag kan worden gelegd aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand van appellant.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Zie ook in vergelijkbare zin ECLI:NL:CRVB:2016:4139

Uitspraken

Meest gelezen berichten