Wrakingsverzoek Wilders toegewezen

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksGerechtshof Amsterdam > Nieuws > Wrakingsverzoek Wilders toegewezen
Amsterdam, 18 mei 2018

Het wrakingsverzoek van Wilders richt zich op de afwijzing van meerdere onderzoekswensen van de verdediging. Deze wensen hadden tot doel om duidelijkheid te brengen in de beslissing van het OM om Wilders te vervolgen, maar Pechtold niet te vervolgen. Het hof heeft deze verzoeken afgewezen onder toepassing – kort gezegd – van het noodzaakscriterium. De wrakingskamer is van oordeel dat de strafkamer deze beslissing niet of in ieder geval onvoldoende heeft onderbouwd. De wrakingskamer komt dan ook tot de conclusie dat de vrees bij verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer objectief gerechtvaardigd is. Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek vandaag door de wrakingskamer wordt toegewezen.

Wraking strafkamer gerechtshof Den Haag

Op 17 mei 2018 heeft de verdediging in de strafzaak tegen Wilders de strafkamer van het gerechtshof Den Haag gewraakt. Wraking is mogelijk als gegronde vrees is voor vooringenomenheid (partijdigheid) bij de rechters. Het wrakingsverzoek betreft alle 3 de raadsheren. De wrakingskamer heeft op dezelfde dag het verzoek behandeld en op 18 mei 2018 uitspraak gedaan, waarbij het verzoek is toegewezen.

Vrees van vooringenomenheid

De wrakingskamer overweegt dat bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop staat dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dat is anders als er gerechtvaardigde vrees is van vooringenomenheid. Deze vrees, zo heeft de verdediging naar voren gebracht, is niet gebaseerd op subjectieve gronden (de persoon, dan wel de achtergrond van de raadsheren) maar op objectieve gronden (de aard van de beslissing). In het bijzonder gaat het om de beslissing om diverse onderzoekswensen van de verdediging af te wijzen.

Procesbeslissing

Deze beslissing is een zogeheten ‘procesbeslissing’ die gedurende een strafzaak met enige regelmaat wordt genomen. In de regel heeft wraking dan geen zin, het is geen rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. Wel kan tegen dergelijke procesbeslissingen (later, als het hof arrest heeft gewezen) cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.
Echter, in uitzonderlijke gevallen, kan een wrakingsverzoek toch worden toegewezen. Namelijk als de beslissing dermate onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan vooringenomenheid.

Gelijkheidsbeginsel

Het wrakingsverzoek richt zich op de afwijzing van meerdere onderzoekswensen van de verdediging. Deze wensen hadden tot doel om duidelijkheid te brengen in de beslissing van het Openbaar Ministerie (OM) om Wilders te vervolgen, maar Pechtold niet te vervolgen. Volgens de verdediging gaat het daarbij om gelijke gevallen, die ongelijk zijn behandeld, en waarvoor geen redelijke verklaring is. Daarmee doet de verdediging een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De wrakingskamer neemt als uitgangspunt dat het OM een ruime beoordelingsvrijheid heeft om al dan niet over te gaan tot vervolging. De rechter kan dit slechts marginaal toetsen. Alleen in specifieke uitzonderingsgevallen kan de rechter tot het oordeel komen dat er sprake is van willekeur (in de beslissing om de ene verdachte wel te vervolgen en de andere niet) en dat leidt dan tot niet ontvankelijkheid van het OM. Ten behoeve van het (mogelijk) voeren van een gelijkheidsbeginsel-verweer heeft de verdediging gezegd dat zij de beslissing om Pechtold niet te vervolgen (voor zijn uitlatingen op 12 februari 2018 over Russen) nader wil onderzoeken door het horen van getuigen, onder wie officieren van justitie die in de kwestie beslissingen hebben genomen en getuige-deskundige prof. Th. de Roos, alsmede door toevoeging van alle aangiftes tegen Pechtold en 40 meldingen.

Onvoldoende motivering

Het hof heeft deze verzoeken afgewezen onder toepassing – kort gezegd – van het noodzaakscriterium.
De wrakingskamer is van oordeel dat de strafkamer deze beslissing niet of in ieder geval onvoldoende heeft onderbouwd. Zo heeft de strafkamer geconcludeerd dat de strafzaak tegen Pechtold niet aan de orde is en dus geen rol kan spelen, terwijl de verdediging de sepotbeslissing inzake Pechtold niet betwist (beter: de verdediging is het met deze beslissing juist eens.) De verdediging wil nagaan of de overwegingen om Pechtold niet te vervolgen misschien ook op Wilders van toepassing zijn, en daar gaat de strafkamer niet op in. De wrakingskamer vindt ook belangrijk dat de verzoeken duidelijk gemotiveerd zijn en precies is aangegeven welke gegevens de verdediging nog wil ontvangen. Het is geen zo geheten ‘fishing expedition’.

Geen uitsluiting van paralellen in uitlatingen verdachte en Pechtold

De wrakingskamer overweegt verder (zonder zich in de beoordeling in de hoofdzaak te willen mengen) dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat er in elk geval zekere paralellen bestaan tussen de uitlating van verdachte en Pechtold. Dit nu tussen hen in zoverre een overeenkomst bestaat dat beiden bekende politici zijn die zich in het openbaar hebben uitgelaten over respectievelijk Marokkanen en Russen.

Noodzaakscriterium en verdedigingsbelang

Tenslotte merkt de wrakingskamer op dat de strafkamer het beperktere noodzaakscriterium toepast, terwijl er aanleiding is om het ruimere verdedigingsbelang te hanteren (dat ruimer is dan het noodzaakscriterium en eerder kan leiden tot toekenning van een onderzoeksverzoek). Immers, de door Pechtold gedane uitlatingen zijn gedaan in februari 2018 en daarmee na het vonnis van de rechtbank[1]. De verdediging heeft deze verzoeken niet eerder dan nu in hoger beroep kunnen doen.
De strafkamer merkt weliswaar (in een ten overvloede overweging) op dat ook de toepassing van het verdedigingsbelang niet zou hebben geleid tot het door de verdediging gewenste resultaat, maar laat na dit op enigerlei wijze te motiveren.


Onvoldoende onderbouwing

Op deze verzoeken (onderzoekswensen) heeft het hof afwijzend beslist. Echter. deze beslissing is – naar het oordeel van de wrakingskamer – dermate beperkt onderbouwd, en wijkt zodanig af van de gedane verzoeken of staat daar in een te ver verband van, om als onderbouwing van de beslissing te kunnen dienen.
Daarmee is sprake van een onbegrijpelijke beslissing, in ieder geval in juridisch technische zin.

Vrees voor vooringenomenheid gerechtvaardigd

De wrakingskamer komt dan ook tot de conclusie dat de vrees bij verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer objectief gerechtvaardigd is. Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden toegewezen

Geen oordeel over toewijzing verzoeken of over eindbeslissing

De wrakingskamer voegt daar – voor het goed begrip – allereerst aan toe dat deze toewijzing van het wrakingsverzoek niet inhoudt dat het hof de verzoeken, of een deel, en dan welke verzoeken, had moeten toewijzen.
Met de beslissing loopt de wrakingskamer evenmin vooruit op de (eventuele) resultaten van het toewijzen van de verzoeken, eenvoudigweg omdat deze resultaten (nog) onbekend zijn.
Tenslotte merkt de wrakingskamer op dat het (uit de aard der zaak) geen inzicht heeft (en ook niet kan hebben) in het nog te voeren verweer en de (mogelijke) gevolgen voor een door het hof te nemen eindbeslissing. Op een dergelijke eindbeslissing loopt de wrakingskamer dus niet vooruit.
De wrakingskamer oordeelt (slechts) over de aard en diepgang van de motivering van de afwijzende beslissing van het hof op de onderzoekswensen, en is tot de conclusie gekomen dat deze zodanig beperkt is dat bij verdachte de vrees voor vooringenomenheid kon ontstaan.

Uitspraken

Meest gelezen berichten