Uitspraak over overtijdbehandeling met medicijnen van huisarts

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksGerechtshof Den Haag > Nieuws > Uitspraak over overtijdbehandeling met medicijnen van huisarts
Den Haag, 12 februari 2019

De civiele rechter kan de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd en de verantwoordelijk minister niet verbieden om hun standpunt over de strafbaarheid van medicamenteuze overtijdbehandeling door de huisarts uit te dragen. Dat heeft het gerechtshof Den Haag vandaag in hoger beroep beslist. De Stichting Women on Waves, de stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann, de vereniging Eerstelijns Verloskundigen Amsterdam Amstelland en enkele artsen hadden een civiele procedure tegen de Staat aangespannen over mededelingen van de minister en de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGZ) over deze strafbaarheid van medicamenteuze overtijdbehandeling door de huisarts.

De term ‘overtijd’ houdt in dat de menstruatie uitblijft vanaf 28 dagen na de eerste dag van de laatste menstruatie. Vanaf dat moment kan een vrouw gedurende 16 dagen (de overtijdperiode) kiezen voor een overtijdbehandeling. Deze kan instrumenteel of met pillen plaatsvinden.

Op grond van artikel 196 van het Wetboek van Strafrecht is het strafbaar om een behandeling aan een vrouw te geven als de behandelaar weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor een zwangerschap wordt afgebroken. Daarop is een uitzondering gemaakt voor ziekenhuizen of abortusklinieken die beschikken over een vergunning op grond van de Wet afbreking zwangerschap (Waz).

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in 2015 in de Tweede Kamer gezegd dat de medicamenteuze overtijdbehandeling ook onder de strafbepaling valt. De IGZ draagt datzelfde standpunt uit. Hierdoor kunnen huisartsen en apotheken de medicijnen die nodig zijn voor een overtijdbehandeling niet voorschrijven en verstrekken. De Stichting Women on Waves, de stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann, de vereniging Eerstelijns Verloskundigen Amsterdam Amstelland en enkele artsen vinden dat dit onterecht is en dat de Staat de wet niet goed uitlegt. Zij vorderden in dit proces onder meer dat de Staat de huisartsen en apothekers informeert dat het niet strafbaar is als zij medicijnen voor overtijdbehandelingen voorschrijven en ter hand stellen.

Het hof heeft voorop gesteld dat het aan de strafrechter is om in een individueel geval te beoordelen of strafbaar is gehandeld. Ook legt het hof de Staat (de minister en/of de IGZ) niet op om mededelingen te doen over het ontbreken van strafbaarheid in algemene zin, want het is aan de wetgever om vast te stellen, wat wel of niet strafbaar is. Bovendien kan de Staat niet voor de rechter ter verantwoording worden geroepen voor wat de minister in het parlement heeft gezegd. Dat staat zo in de Grondwet. Daarom oordeelt het hof in dit geding alleen over de vraag of de IGZ haar standpunt over strafbaarheid mag uitdragen.

Vaststaat dat het inbrengen van een spiraaltje of het verstrekken van een morning after pil niet onder artikel 296 Sr valt en dat het afbreken van een zwangerschap na afloop van de overtijdperiode er wel onder valt. In dat laatste geval noemt men het abortus. De overtijdbehandeling is echter niet expliciet in de wet geregeld. Het moment waarop een vermoeden van zwangerschap ontstaat, is ook niet in de wet bepaald. Daarom is onduidelijk wat een arts buiten een vergunninghoudende kliniek of ziekenhuis wel of niet mag doen tijdens de overtijdperiode. Doordat dit onduidelijk is, staat niet vast dat de IGZ onrechtmatig handelt door daarover haar standpunt uit te dragen.

Uitspraken